Brein & Cognitie
Hoorcollege week 6 – Learning
10-12-2019
Verschillende vormen van conditioneren:
Pavlovian conditioning 1: klassiek
o Ongeconditioneerde stimulus = Luchtdrukverhoging zorgt ervoor dat je met je ogen knippert.
Het knipperen is de ongeconditioneerde reactie.
o Geconditioneerde stimulus = Geluidsstimulus: zonder leerproces heeft deze geen effect op
het knipperen met de ogen. Tijdens het leerproces, krijgt het geluid ook het vermogen om
het ooglid te doen knipperen. Knipperen na geluid is de geconditioneerde reactie.
De ongeconditioneerde reactie is dezelfde reactie als de geconditioneerde reactie.
Het aanleren van deze geconditioneerde response hangt af van het cerebellum. (cerebellum
beschadigt niet deze knipperreflex)
Pavlovian conditioning 2: fear
Rat in een kooi met een metaal rooster, waarop een stroom gezet kan worden. Hierdoor gaat de rat
een beweging maken. De rat reageert op deze stimulus (ongeconditioneerde stimulus) met een
snelle beweging (ongeconditioneerde reactie). Geluidsstimulus koppelen aan de elektrische stroom.
Na verloop van tijd is de geluidsstimulus alleen voldoende voor een freezingresponse. Deze
freezingresponse is aangeleerd en specifiek voor de auditieve stimulus. De auditieve stimuli zorgde
voor een verandering van gedrag, namelijk toegenomen freezing response.
Belangrijk: hierbij is de ongeconditioneerde respons (snelle beweging) verschillend van de
geconditioneerde response (freezing response) verschil met de klassieke conditionering
Het hangt af van de amygdala: kern die noodzakelijk is voor het aanleren van angstconditionering
Operante conditionering:
Kat zit in een box met een eetbeloning buiten de box. De kat moet leren om het deurtje te openen en
naar buiten te komen, dan wordt hij beloond. Het eten is een reinforcer, de kat is gemotiveerd om bij
het eten te komen.
Begin: de kat maakt random bewegingen, hij wilt namelijk de vis krijgen. De eerste keer dat de kat de
juiste beweging maakt duurt lang, de tweede keer gaat sneller en uiteindelijk kan de kat heel snel het
deurtje openen geleerd.
o Het is een trial-and-error proces
o De frequentie van de correcte beweging wordt steeds groter
Twee categoriën van geheugen: impliciet en expliciet geheugen
o Impliciet geheugen: vorm van geheugen dat duidelijk aanwezig is, maar die jij zelf niet kan
rapporteren
o Expliciet geheugen: geheugenspoor waarvan je weet dat je het hebt, je kan het ook
uitdrukken (je kan het onder woorden brengen)
, Als je dit een keer gedaan hebt, zul je de volgende keer de leeuw sneller
ontdekken = priming
Priming doet zich ook voor bij mensen die aan ernstig geheugenverlies
leiden (bv alzheimerpatiënten). Zij zijn de tweede keer ook sneller in het
identificeren van de leeuw. Het is een geheugenspoor dat wordt aangelegd
in ons visuele systeem.
Het is impliciet geheugen (want het doet zich ook voor bij mensen die niet
in staat zijn om voorwerpen te onthouden)
Impliciet geheugen (onbewust):
o Motorskills: fietsen. Het leren van motorische vaardigheden kan onbewust, je hoeft hier geen
expliciet geheugen voor te hebben
o Non-declaratief
o Vaardigheden
o Gewoonten
o Procedureel geheugen
Expliciet geheugen (bewust):
Amnesie: hebben alleen impliciet geheugen. Kunnen hun geheugen niet meer onder woorden
brengen.
o Declaratief
o Feiten
o Episodisch geheugen
o Semantisch geheugen
Waarnemen van de leeuw (voorbeeld) gebeurt zonder dat je hoeft te zoeken naar de leeuw, hij
verschijnt op eens
Bottum-up-processing: je hoeft niet te zoeken naar info, het heeft wel invloed op je gedrag. Je
gebruikt je eigen geheugen en je hoeft je niet in te spannen om deze te activeren.
o Impliciet geheugen
o Priming: automatisch effect op je waarneming, zonder dat je daarvoor zoekstrategiën nodig
hebt.
Top-down-processing: je gaat zoeken naar een expliciete geheugeninformatie, bv waar ligt je sleutel:
je gaat een beeld vormen van de sleutel en je gaat zoeken op plaatsen waar je denkt dat de sleutel
kan liggen.
o Gerichte zoekprocessen
o Expliciet geheugen
Encoding biases: wanneer we gebeurtenissen opslaan, komt het vaak voor dat onzuivere invloeden
meebepalen in hoe we een geheugenspoor opslaan. (voorbeeld twee auto’s aanrijding, botsen of
raken als woord gebruiken, ingeschatte snelheid hangt af van welk woord ze gebruiken). Wanneer
ons brein een geheugenspoor aanlegt, wordt het geheugenspoor niet alleen beïnvloed door de
gebeurtenis die je opslaat, maar ook door contextfactoren. De context heeft een invloed op de
manier waarop je een gebeurtenis herinnert.
Korte-termijngeheugen (werkgeheugen): geheugen waarvoor je je best moet doen om het te
onthouden
Lange-termijngeheugen: geheugen dat je behoudt, zonder dat je daar bewust aandacht aan besteed.
o Expliciet geheugen (onderscheid tussen semantisch en episodisch geheugen)
Hoorcollege week 6 – Learning
10-12-2019
Verschillende vormen van conditioneren:
Pavlovian conditioning 1: klassiek
o Ongeconditioneerde stimulus = Luchtdrukverhoging zorgt ervoor dat je met je ogen knippert.
Het knipperen is de ongeconditioneerde reactie.
o Geconditioneerde stimulus = Geluidsstimulus: zonder leerproces heeft deze geen effect op
het knipperen met de ogen. Tijdens het leerproces, krijgt het geluid ook het vermogen om
het ooglid te doen knipperen. Knipperen na geluid is de geconditioneerde reactie.
De ongeconditioneerde reactie is dezelfde reactie als de geconditioneerde reactie.
Het aanleren van deze geconditioneerde response hangt af van het cerebellum. (cerebellum
beschadigt niet deze knipperreflex)
Pavlovian conditioning 2: fear
Rat in een kooi met een metaal rooster, waarop een stroom gezet kan worden. Hierdoor gaat de rat
een beweging maken. De rat reageert op deze stimulus (ongeconditioneerde stimulus) met een
snelle beweging (ongeconditioneerde reactie). Geluidsstimulus koppelen aan de elektrische stroom.
Na verloop van tijd is de geluidsstimulus alleen voldoende voor een freezingresponse. Deze
freezingresponse is aangeleerd en specifiek voor de auditieve stimulus. De auditieve stimuli zorgde
voor een verandering van gedrag, namelijk toegenomen freezing response.
Belangrijk: hierbij is de ongeconditioneerde respons (snelle beweging) verschillend van de
geconditioneerde response (freezing response) verschil met de klassieke conditionering
Het hangt af van de amygdala: kern die noodzakelijk is voor het aanleren van angstconditionering
Operante conditionering:
Kat zit in een box met een eetbeloning buiten de box. De kat moet leren om het deurtje te openen en
naar buiten te komen, dan wordt hij beloond. Het eten is een reinforcer, de kat is gemotiveerd om bij
het eten te komen.
Begin: de kat maakt random bewegingen, hij wilt namelijk de vis krijgen. De eerste keer dat de kat de
juiste beweging maakt duurt lang, de tweede keer gaat sneller en uiteindelijk kan de kat heel snel het
deurtje openen geleerd.
o Het is een trial-and-error proces
o De frequentie van de correcte beweging wordt steeds groter
Twee categoriën van geheugen: impliciet en expliciet geheugen
o Impliciet geheugen: vorm van geheugen dat duidelijk aanwezig is, maar die jij zelf niet kan
rapporteren
o Expliciet geheugen: geheugenspoor waarvan je weet dat je het hebt, je kan het ook
uitdrukken (je kan het onder woorden brengen)
, Als je dit een keer gedaan hebt, zul je de volgende keer de leeuw sneller
ontdekken = priming
Priming doet zich ook voor bij mensen die aan ernstig geheugenverlies
leiden (bv alzheimerpatiënten). Zij zijn de tweede keer ook sneller in het
identificeren van de leeuw. Het is een geheugenspoor dat wordt aangelegd
in ons visuele systeem.
Het is impliciet geheugen (want het doet zich ook voor bij mensen die niet
in staat zijn om voorwerpen te onthouden)
Impliciet geheugen (onbewust):
o Motorskills: fietsen. Het leren van motorische vaardigheden kan onbewust, je hoeft hier geen
expliciet geheugen voor te hebben
o Non-declaratief
o Vaardigheden
o Gewoonten
o Procedureel geheugen
Expliciet geheugen (bewust):
Amnesie: hebben alleen impliciet geheugen. Kunnen hun geheugen niet meer onder woorden
brengen.
o Declaratief
o Feiten
o Episodisch geheugen
o Semantisch geheugen
Waarnemen van de leeuw (voorbeeld) gebeurt zonder dat je hoeft te zoeken naar de leeuw, hij
verschijnt op eens
Bottum-up-processing: je hoeft niet te zoeken naar info, het heeft wel invloed op je gedrag. Je
gebruikt je eigen geheugen en je hoeft je niet in te spannen om deze te activeren.
o Impliciet geheugen
o Priming: automatisch effect op je waarneming, zonder dat je daarvoor zoekstrategiën nodig
hebt.
Top-down-processing: je gaat zoeken naar een expliciete geheugeninformatie, bv waar ligt je sleutel:
je gaat een beeld vormen van de sleutel en je gaat zoeken op plaatsen waar je denkt dat de sleutel
kan liggen.
o Gerichte zoekprocessen
o Expliciet geheugen
Encoding biases: wanneer we gebeurtenissen opslaan, komt het vaak voor dat onzuivere invloeden
meebepalen in hoe we een geheugenspoor opslaan. (voorbeeld twee auto’s aanrijding, botsen of
raken als woord gebruiken, ingeschatte snelheid hangt af van welk woord ze gebruiken). Wanneer
ons brein een geheugenspoor aanlegt, wordt het geheugenspoor niet alleen beïnvloed door de
gebeurtenis die je opslaat, maar ook door contextfactoren. De context heeft een invloed op de
manier waarop je een gebeurtenis herinnert.
Korte-termijngeheugen (werkgeheugen): geheugen waarvoor je je best moet doen om het te
onthouden
Lange-termijngeheugen: geheugen dat je behoudt, zonder dat je daar bewust aandacht aan besteed.
o Expliciet geheugen (onderscheid tussen semantisch en episodisch geheugen)