Samenvatting nask hoofdstuk 4 elektriciteit.
In huis zijn er allerlei apparaten die op elektriciteit werken. Apparaten met een groot
energieverbruik, zoals een stofzuiger of een wasmachine, sluit je aan op het lichtnet. Maar er zijn ook
veel elektrische apparaten die op batterijen of accu’s werken.
Een gesloten stroomkring.
Om een lampje te laten branden, moet je er een elektrische stroom doorheen laten lopen. Dat lukt
alleen als je een gesloten stroomkring maakt. Bijvoorbeeld van de ene kant van een batterij naar het
lampje, door het lampje en weer naar de andere kant van de batterij. De woorden ‘stroom’ en
‘stroomkring’ maken duidelijk dat er ‘iets’ door de snoeren en het lampje heen beweegt.
Natuurkundigen hebben dat ‘iets’ de naam lading gegeven. Een elektrische stroom bestaat uit
bewegende lading. Als je een stroomkring onderbreekt, valt die beweging stil. De lading is er nog wel,
maar die kan niet meer door de stroombeweging heen bewegen. Je kunt het bewegen van lading
vergelijken met het stromen van lucht. In beide gevallen is de beweging zelf niet te zien. Wat je wel
kunt zien, is het effect van die beweging. Als je de stroomkring sluit, zie je het lampje aangaan. As het
buiten waait, zie je de windmolens draaien.
Isolerende en geleidende stoffen.
Er zijn verschillend manieren om de onderdelen van een stroomkring met elkaar te verbinden. Bij
proeven met elektriciteit gebruik je daar snoeren voor. De elektrische stroom loopt door de
koperdraad die binnen in zo’n snoer zakt. De buitenkant van het snoer is van plastic. Daar loopt geen
elektrische stroom doorheen.
Stoffen waar een elektrische stroom gemakkelijk doorheen kan lopen, heten geleiders. Alle metalen
zijn geleiders, maar het ene metaal geleidt beter dan het andere. Koper en aluminium geleiden
bijvoorbeeld beter dan het andere. Koper en aluminium geleiden bijvoorbeeld beter dan ijzer en
lood. Koolstof is geen metaal, maar in sommige gevallen is koolstof toch een geleider. Stoffen die een
elektrische stroom niet of heel slecht doorlaten noem je isolatoren. Voorbeelden zijn rubber, glas en
de meeste soorten plastic. Als een vaste stof geen metaal is, gaat het bijna altijd om een isolator. Ook
lucht is een goede isolator. In een gesloten stroomkring loopt de stroom door de geleidende delen
van snoeren, lampjes of apparaten. Met een schakelaar kun je de stroom in- en uitschakelen. Als je
de stroom inschakelt, komen twee geleidende delen in de schakelaar met elkaar in contact. De
stroomkring wordt zo gesloten. Als je met de schakelaar de stroom uitschakelt, is er geen geleidende
verbinding meer. De stroomkring is dan open en de elektriciteit kan niet meer naar de lamp stromen.
Bij een open stroomkring kan de lamp dus niet branden.
De stroom meten.
Met een stroommeter kun je meten hoe ‘sterk’ de elektrische stroom door een stroomkring is. Je
meet dan op een bepaald punt in de stroomkring hoeveel lading er in 1 seconde voorbijkomt. Dat
noem je de stroomsterkte. Hoe meer lading er per seconde voorbijkomt, des te groter is de
stroomsterkte. Je kunt de stroomsterkte vergelijken met de hoeveelheid lucht die per seconde uit
een opgeblazen ballon loopt. Als je het ventiel (het tuitje) van de ballon een eindje opened stroom de
lucht naar buiten. Hoe groter de ‘stroomsterkte’, des te eerder is de ballon leeg. De eenheid van
elektrische stroomsterkte is de ampère (A). Een stroommeter wordt daarom ook wel een
ampèremeter genoemd. Als de stroomsterkte klein is, meet je de stroom vaak in milliampère (mA).
Je kunt zeggen dat er 0,250A door een klein lampje loopt of 250mA komt dat op hetzelfde neer. Het
maakt niet uit waar je een stroommeter in de stroomkring opneemt: links of rechts van het lampje.
Aan de ene kant gaat er evenveel lading het lampje in als er aan de andere kant weer uitkomt. De
stroomsterkte is. Op elke plaats in de stroomkring even groot.
4.2 spanningsbronnen
Om een stroomkring te maken, heb je een spanningsbron nodig. Veelgebruikte spanningsbronnen
zijn batterijen, accu’s en dynamo’s. De panelen met zonnecellen die je vaak op daken ziet, zijn ook
spanningsbronnen.
Spanning
In huis zijn er allerlei apparaten die op elektriciteit werken. Apparaten met een groot
energieverbruik, zoals een stofzuiger of een wasmachine, sluit je aan op het lichtnet. Maar er zijn ook
veel elektrische apparaten die op batterijen of accu’s werken.
Een gesloten stroomkring.
Om een lampje te laten branden, moet je er een elektrische stroom doorheen laten lopen. Dat lukt
alleen als je een gesloten stroomkring maakt. Bijvoorbeeld van de ene kant van een batterij naar het
lampje, door het lampje en weer naar de andere kant van de batterij. De woorden ‘stroom’ en
‘stroomkring’ maken duidelijk dat er ‘iets’ door de snoeren en het lampje heen beweegt.
Natuurkundigen hebben dat ‘iets’ de naam lading gegeven. Een elektrische stroom bestaat uit
bewegende lading. Als je een stroomkring onderbreekt, valt die beweging stil. De lading is er nog wel,
maar die kan niet meer door de stroombeweging heen bewegen. Je kunt het bewegen van lading
vergelijken met het stromen van lucht. In beide gevallen is de beweging zelf niet te zien. Wat je wel
kunt zien, is het effect van die beweging. Als je de stroomkring sluit, zie je het lampje aangaan. As het
buiten waait, zie je de windmolens draaien.
Isolerende en geleidende stoffen.
Er zijn verschillend manieren om de onderdelen van een stroomkring met elkaar te verbinden. Bij
proeven met elektriciteit gebruik je daar snoeren voor. De elektrische stroom loopt door de
koperdraad die binnen in zo’n snoer zakt. De buitenkant van het snoer is van plastic. Daar loopt geen
elektrische stroom doorheen.
Stoffen waar een elektrische stroom gemakkelijk doorheen kan lopen, heten geleiders. Alle metalen
zijn geleiders, maar het ene metaal geleidt beter dan het andere. Koper en aluminium geleiden
bijvoorbeeld beter dan het andere. Koper en aluminium geleiden bijvoorbeeld beter dan ijzer en
lood. Koolstof is geen metaal, maar in sommige gevallen is koolstof toch een geleider. Stoffen die een
elektrische stroom niet of heel slecht doorlaten noem je isolatoren. Voorbeelden zijn rubber, glas en
de meeste soorten plastic. Als een vaste stof geen metaal is, gaat het bijna altijd om een isolator. Ook
lucht is een goede isolator. In een gesloten stroomkring loopt de stroom door de geleidende delen
van snoeren, lampjes of apparaten. Met een schakelaar kun je de stroom in- en uitschakelen. Als je
de stroom inschakelt, komen twee geleidende delen in de schakelaar met elkaar in contact. De
stroomkring wordt zo gesloten. Als je met de schakelaar de stroom uitschakelt, is er geen geleidende
verbinding meer. De stroomkring is dan open en de elektriciteit kan niet meer naar de lamp stromen.
Bij een open stroomkring kan de lamp dus niet branden.
De stroom meten.
Met een stroommeter kun je meten hoe ‘sterk’ de elektrische stroom door een stroomkring is. Je
meet dan op een bepaald punt in de stroomkring hoeveel lading er in 1 seconde voorbijkomt. Dat
noem je de stroomsterkte. Hoe meer lading er per seconde voorbijkomt, des te groter is de
stroomsterkte. Je kunt de stroomsterkte vergelijken met de hoeveelheid lucht die per seconde uit
een opgeblazen ballon loopt. Als je het ventiel (het tuitje) van de ballon een eindje opened stroom de
lucht naar buiten. Hoe groter de ‘stroomsterkte’, des te eerder is de ballon leeg. De eenheid van
elektrische stroomsterkte is de ampère (A). Een stroommeter wordt daarom ook wel een
ampèremeter genoemd. Als de stroomsterkte klein is, meet je de stroom vaak in milliampère (mA).
Je kunt zeggen dat er 0,250A door een klein lampje loopt of 250mA komt dat op hetzelfde neer. Het
maakt niet uit waar je een stroommeter in de stroomkring opneemt: links of rechts van het lampje.
Aan de ene kant gaat er evenveel lading het lampje in als er aan de andere kant weer uitkomt. De
stroomsterkte is. Op elke plaats in de stroomkring even groot.
4.2 spanningsbronnen
Om een stroomkring te maken, heb je een spanningsbron nodig. Veelgebruikte spanningsbronnen
zijn batterijen, accu’s en dynamo’s. De panelen met zonnecellen die je vaak op daken ziet, zijn ook
spanningsbronnen.
Spanning