Artikel 1: the social functioning of student with learning disabilities: implications for
inclusion, Vaughn, Elbaum & Boardman
Review over sociaal functioneren van kinderen met leerproblemen en implicaties voor het
bijvoegen van kinderen met leerproblemen op normale scholen. 4 gebieden van sociaal
functioneren zijn onderzocht: sociale vaardigheden, zelfconcepten, vriendschappen en
sociale netwerken.
Vroeger werden kinderen met leerproblemen weggehouden van kinderen zonder
leerproblemen: ze werden niet klaargemaakt om leden van de maatschappij te worden. Er
kwam een wet dat deze kinderen gratis en gepaste scholing moesten krijgen van leeftijd 3-21
(1966). Omdat ze toch niet genoeg interactie hadden met schoolsettings werden ze soms
gedeeltelijk of volledig geschoold op normale scholen. Er zijn een paar suggesties gedaan
vanuit Vaughn en Schumm voor het bijvoegen van kinderen met LD op normale scholen:
De benodigdheden van de student staan op de eerste plaats, niet je eigen filosofie of
ideologie
Behoudt een continuüm van schoolservices voor studenten met LD
Laat de leraar de keuze hebben of hij wil lesgeven in een klas met kinderen met LD
Geef genoeg middelen aan leraren en andere programmaspecialisten
Moedig leraren en andere professionals aan om over hun filosofie van bijvoeging te
discussiëren en om deze te ontwikkelen
Geef voldoende professionele ontwikkeling voor alle belanghebbenden.
Geef een leesplan en instructie op een manier zodat alle studenten krijgen wat ze
nodig hebben
Evalueer de effectiviteit van de interventie en plaatsingsmodellen die gebruikt zijn
Betrek ouders in het beslissingsmakingsproces van het begin tot het einde
Sociale vaardigheden: deze punten hebben vooral te maken met de benodigdheden van de
instructie van de kinderen maar minder op de sociale implicaties van de plaatsing. Effectieve
sociale vaardigheden hebben te maken met het inleiden van een gesprek en correct
reageren op anderen. Ze zijn het fundament voor het maken en behouden van vrienden en
het succesvol omgaan met anderen op school en op het werk. Cognitie is hierbij belangrijk
omdat het te maken heeft met redeneren en beslissingen maken over sociale interacties. In
een studie van Kavale & Forness was gevonden dat 75% van de kinderen met LD lager
scoorden op sociale vaardigheden. In de klas hebben deze kinderen meer kans om
verwaarloost of afgekeurd te worden door hun klasgenoten en worden niet aardig gevonden
door de leraar. Leraar-gerelateerde sociale vaardigheden hebben te maken met het luisteren
naar de leraar en de regels volgen (academische betrokkenheid) en de autoriteit van de
leraar niet in twijfel trekken. Interpersoonlijke vaardigheden voor het ontwikkelen van
vriendschappen hebben te maken met het promoten van relaties met leeftijdsgenoten.
Perspectief vanuit de leraar: leraren maken het onderscheid tussen kinderen met en zonder
LD door middel van academische gebreken en minder frequente sociale interacties.
Voorbeelden zijn hyperactiviteit, afgeleid zijn, niet goed aan kunnen passen en
eigenschappen die zorgen dat de studenten niet opletten tijdens de lessen en niet je niet op
de taak kunnen focussen. Met uitzondering van hyperactiviteit en snel afgeleid zijn zien de
leraren de gedragsproblemen niet als een bijdrage aan de moeilijkheden met sociale
vaardigheden.
1
, Perceptie van de ouders: de ratings van de ouders verschillen van die van de leraren: ze zien
minder gebreken in sociale vaardigheden. Dit zou zo kunnen zijn omdat de omgeving anders
is.
Perceptie van de leeftijdsgenoten: de sociale gebreken worden gekenmerkt door
leeftijdsgenoten door afwijzing en gelimiteerde acceptatie. Er is geen verschil met kinderen
die het niet zo goed doen op school zonder LD en kinderen met LD met betrekking tot
sociale vaardigheden. Het zou kunnen dat niet per se de LD opvallen bij kinderen maar
vooral de academische zwakheid, zoals het minder betrokken zijn bij klasactiviteiten.
Perceptie van de studenten zelf: 80% geeft zelf aan moeite te hebben met non-verbale
communicatie en sociaal problemen oplossen, wat zou kunnen komen door een
taalverslechtering of verwerkingsgebreken. Er is nog geen oorzaak-gevolg relatie vastgesteld.
Interventies voor verbeteren sociale vaardigheden: deze interventies zouden minimaal
effectief zijn in het veranderen van het gedrag van de student. De interventie was wel van
korte duur (minder dan 3 uur per week voor minder dan 3 maanden) dus dat zou een
oorzaak kunnen zijn. In een studie van 4 jaar zie je dat sociale vaardigheden verbeteren, zelfs
zonder interventie. Ook is er nog niet genoeg validatie voor de interventies. Ook zou het zo
kunnen zijn dat gedrag dat aangeleerd wordt in een gecontroleerde setting moeilijk te
generaliseren is naar een natuurlijke setting. Er zijn bepaalde interventies die wel helpen
(plaatje hieronder).
Implicaties voor bijsluiten: kinderen met LD hebben moeilijkheden met relevante sociale
vaardigheden (zoals het niet volgen van instructies), waardoor de leraren duidelijke
directies, gestructureerde activiteiten en frequente monitoring moeten toepassen. Ook
moeten leraren kinderen zonder LD aansporen om de verschillen in sociaal gedrag van de
kinderen met LD te tolereren. Er moet niet te veel vertrouwd worden op interventies voor
sociale vaardigheden omdat deze nog niet effectief genoeg zijn en er moet een
samenwerking zijn tussen ouders en leraren, zodat het bijsluiten soepeler gaat.
Zelfconcept/zelfvertrouwen/zelfperceptie: heeft te maken met de beoordeling van je eigen
competentie of waarde, algemeen of specifiek. Je hoeft jezelf niet altijd gelijk te zien over
verschillende domeinen. Het is relevant voor leerlingen met LD voor 3 redenen:
In vergelijking met leeftijdsgenoten laten leerlingen met LD moeilijkheden zien in
academische en sociale gebieden. Dit kan invloed hebben op je zelfconcept.
Studenten met LD hebben speciale support nodig om hun academische prestatie te
verbeteren, wat een negatief effect kan hebben op hun zelfconcept.
Studenten met LD verschillen van andere leerlingen met gebreken doordat ze over
het algemeen gemiddeld of bovengemiddeld intelligent zijn maar dat dit niet overeen
komt met hun academische prestatie, wat ook invloed kan hebben op hun
zelfperceptie.
Academisch zelfconcept: leerlingen met LD hebben een lage zelfperceptie over hun
academische prestatie maar dit beïnvloedt hun zelfconceptie over hun intellectueel
vermogen niet. Deze concepties komen dus overeen met de werkelijkheid.
Sociaal zelfconcept: minder consistente bevindingen omdat niet alle leerlingen met LD
sociale moeilijkheden ervaren. Het zelfconcept is vaak gemiddeld.
Globaal zelfconcept: dit is hoog omdat ze vaak voldoende competent zijn op andere
gebieden.
Effect interventies op zelfconcept: varieert per leeftijd. Leerlingen van de lagere school
2
inclusion, Vaughn, Elbaum & Boardman
Review over sociaal functioneren van kinderen met leerproblemen en implicaties voor het
bijvoegen van kinderen met leerproblemen op normale scholen. 4 gebieden van sociaal
functioneren zijn onderzocht: sociale vaardigheden, zelfconcepten, vriendschappen en
sociale netwerken.
Vroeger werden kinderen met leerproblemen weggehouden van kinderen zonder
leerproblemen: ze werden niet klaargemaakt om leden van de maatschappij te worden. Er
kwam een wet dat deze kinderen gratis en gepaste scholing moesten krijgen van leeftijd 3-21
(1966). Omdat ze toch niet genoeg interactie hadden met schoolsettings werden ze soms
gedeeltelijk of volledig geschoold op normale scholen. Er zijn een paar suggesties gedaan
vanuit Vaughn en Schumm voor het bijvoegen van kinderen met LD op normale scholen:
De benodigdheden van de student staan op de eerste plaats, niet je eigen filosofie of
ideologie
Behoudt een continuüm van schoolservices voor studenten met LD
Laat de leraar de keuze hebben of hij wil lesgeven in een klas met kinderen met LD
Geef genoeg middelen aan leraren en andere programmaspecialisten
Moedig leraren en andere professionals aan om over hun filosofie van bijvoeging te
discussiëren en om deze te ontwikkelen
Geef voldoende professionele ontwikkeling voor alle belanghebbenden.
Geef een leesplan en instructie op een manier zodat alle studenten krijgen wat ze
nodig hebben
Evalueer de effectiviteit van de interventie en plaatsingsmodellen die gebruikt zijn
Betrek ouders in het beslissingsmakingsproces van het begin tot het einde
Sociale vaardigheden: deze punten hebben vooral te maken met de benodigdheden van de
instructie van de kinderen maar minder op de sociale implicaties van de plaatsing. Effectieve
sociale vaardigheden hebben te maken met het inleiden van een gesprek en correct
reageren op anderen. Ze zijn het fundament voor het maken en behouden van vrienden en
het succesvol omgaan met anderen op school en op het werk. Cognitie is hierbij belangrijk
omdat het te maken heeft met redeneren en beslissingen maken over sociale interacties. In
een studie van Kavale & Forness was gevonden dat 75% van de kinderen met LD lager
scoorden op sociale vaardigheden. In de klas hebben deze kinderen meer kans om
verwaarloost of afgekeurd te worden door hun klasgenoten en worden niet aardig gevonden
door de leraar. Leraar-gerelateerde sociale vaardigheden hebben te maken met het luisteren
naar de leraar en de regels volgen (academische betrokkenheid) en de autoriteit van de
leraar niet in twijfel trekken. Interpersoonlijke vaardigheden voor het ontwikkelen van
vriendschappen hebben te maken met het promoten van relaties met leeftijdsgenoten.
Perspectief vanuit de leraar: leraren maken het onderscheid tussen kinderen met en zonder
LD door middel van academische gebreken en minder frequente sociale interacties.
Voorbeelden zijn hyperactiviteit, afgeleid zijn, niet goed aan kunnen passen en
eigenschappen die zorgen dat de studenten niet opletten tijdens de lessen en niet je niet op
de taak kunnen focussen. Met uitzondering van hyperactiviteit en snel afgeleid zijn zien de
leraren de gedragsproblemen niet als een bijdrage aan de moeilijkheden met sociale
vaardigheden.
1
, Perceptie van de ouders: de ratings van de ouders verschillen van die van de leraren: ze zien
minder gebreken in sociale vaardigheden. Dit zou zo kunnen zijn omdat de omgeving anders
is.
Perceptie van de leeftijdsgenoten: de sociale gebreken worden gekenmerkt door
leeftijdsgenoten door afwijzing en gelimiteerde acceptatie. Er is geen verschil met kinderen
die het niet zo goed doen op school zonder LD en kinderen met LD met betrekking tot
sociale vaardigheden. Het zou kunnen dat niet per se de LD opvallen bij kinderen maar
vooral de academische zwakheid, zoals het minder betrokken zijn bij klasactiviteiten.
Perceptie van de studenten zelf: 80% geeft zelf aan moeite te hebben met non-verbale
communicatie en sociaal problemen oplossen, wat zou kunnen komen door een
taalverslechtering of verwerkingsgebreken. Er is nog geen oorzaak-gevolg relatie vastgesteld.
Interventies voor verbeteren sociale vaardigheden: deze interventies zouden minimaal
effectief zijn in het veranderen van het gedrag van de student. De interventie was wel van
korte duur (minder dan 3 uur per week voor minder dan 3 maanden) dus dat zou een
oorzaak kunnen zijn. In een studie van 4 jaar zie je dat sociale vaardigheden verbeteren, zelfs
zonder interventie. Ook is er nog niet genoeg validatie voor de interventies. Ook zou het zo
kunnen zijn dat gedrag dat aangeleerd wordt in een gecontroleerde setting moeilijk te
generaliseren is naar een natuurlijke setting. Er zijn bepaalde interventies die wel helpen
(plaatje hieronder).
Implicaties voor bijsluiten: kinderen met LD hebben moeilijkheden met relevante sociale
vaardigheden (zoals het niet volgen van instructies), waardoor de leraren duidelijke
directies, gestructureerde activiteiten en frequente monitoring moeten toepassen. Ook
moeten leraren kinderen zonder LD aansporen om de verschillen in sociaal gedrag van de
kinderen met LD te tolereren. Er moet niet te veel vertrouwd worden op interventies voor
sociale vaardigheden omdat deze nog niet effectief genoeg zijn en er moet een
samenwerking zijn tussen ouders en leraren, zodat het bijsluiten soepeler gaat.
Zelfconcept/zelfvertrouwen/zelfperceptie: heeft te maken met de beoordeling van je eigen
competentie of waarde, algemeen of specifiek. Je hoeft jezelf niet altijd gelijk te zien over
verschillende domeinen. Het is relevant voor leerlingen met LD voor 3 redenen:
In vergelijking met leeftijdsgenoten laten leerlingen met LD moeilijkheden zien in
academische en sociale gebieden. Dit kan invloed hebben op je zelfconcept.
Studenten met LD hebben speciale support nodig om hun academische prestatie te
verbeteren, wat een negatief effect kan hebben op hun zelfconcept.
Studenten met LD verschillen van andere leerlingen met gebreken doordat ze over
het algemeen gemiddeld of bovengemiddeld intelligent zijn maar dat dit niet overeen
komt met hun academische prestatie, wat ook invloed kan hebben op hun
zelfperceptie.
Academisch zelfconcept: leerlingen met LD hebben een lage zelfperceptie over hun
academische prestatie maar dit beïnvloedt hun zelfconceptie over hun intellectueel
vermogen niet. Deze concepties komen dus overeen met de werkelijkheid.
Sociaal zelfconcept: minder consistente bevindingen omdat niet alle leerlingen met LD
sociale moeilijkheden ervaren. Het zelfconcept is vaak gemiddeld.
Globaal zelfconcept: dit is hoog omdat ze vaak voldoende competent zijn op andere
gebieden.
Effect interventies op zelfconcept: varieert per leeftijd. Leerlingen van de lagere school
2