Inhoudsopgave
1. Algemeen, investeringen en rendementen...................................................2
1.1. Algemeen en vastgoed............................................................................................ 2
1.2. Rendementen........................................................................................................... 2
1.3. Investeringen........................................................................................................... 2
1.4. Aanvangsrendementen............................................................................................ 3
2. Netto Contante Waarde..............................................................................4
2.1. Tijdswaarde van geld............................................................................................... 4
2.2. Primaire en secundaire geldstromen........................................................................5
2.2. Oefenen met NCW.................................................................................................... 5
3. Interne Rentabiliteit...................................................................................8
3.1. Interne rentabiliteit en NCW.....................................................................................9
3.2 IR en NCW beredeneren en berekenen.....................................................................9
4. Leningen.................................................................................................. 10
4.1. Financiering........................................................................................................... 11
4.2. Rente..................................................................................................................... 11
4.3. Lineaire en annuïtaire leningen..............................................................................12
Overzicht formules.......................................................................................15
Stellingen uit PowerPoints.............................................................................................15
, 1. Algemeen, investeringen en rendementen
1.1. Algemeen en vastgoed
Vastgoedreken gebruik je als je als facility manager te maken krijgt met
vastgoed. Je kunt vastgoed regelen voor een opdrachtgever of dat je zelf
vastgoed inkoopt en het verhuurt aan een andere partij.
Vastgoed = alles wat gebouwd is met de gronden eronder. Ook parkeergarages,
winkelpanden, vakantiehuisjes, etc. Vastgoed wordt ook wel onroerend goed
genoemd.
Perspectieven van vastgoed:
Gebruiker -> je zorgt voor vastgoed zodat jouw werkgever of
opdrachtgever een gebouw heeft om in te werken.
Belegger -> je hebt een stuk vastgoed en hier wil je geld mee verdienen.
Wanneer je het geld investeert in het bouwen van vastgoed (de stenen)
noem je dit een directe investering. Wanneer je gaat beleggen via een
tussenpartij zoals een vastgoedfonds doe j een indirecte investering, dit
gaat vaak via aandelen. Die aandelen kunnen wel of niet beursgenoteerd
zijn.
1.2. Rendementen
Via rendementen bepaal je waar je geld in wil stoppen. Via rendementen kun je
namelijk berekenen wat je eruit gaat halen.
Via een pand kun je rendement krijgen door
Huur opbrengsten -> directe rendementen.
Waardestijging -> indirecte rendementen, niet direct omgezet in geld.
Directe rendement = netto opbrengsten / gemiddelde waarde investering x 100%
Indirect rendement = waardestijging periode / gemiddelde waarde investering x
100%
Totaal rendement = directe rendement + indirecte rendement
Voorbeeld:
1.3. Investeringen
Investering in de context van vastgoed = alle uitgaven die je moet doen voordat
je een pand kunt gebruiken, zoals aankoopprijs pand, makelaarskosten,
notariskosten, overdrachtsbelasting en verbouwingen voordat er iemand in het
gebouw kan.
Er zijn twee manieren om een pand te kopen:
2 van 14