SAMENVATTING
BASISKENNIS Suppers,Nena N.
TAALONDERWIJS
3e druk
,Aantekeningen vanuit de basiskennis taalonderwijs
2. taalonderwijs en taal
Binnen de geletterdheid kunnen drie stadia worden onderscheiden:
- Ontluikende geletterdheid (voorschoolse periode van 0 tot 4 jaar)
- Beginnende geletterdheid (groep 1 tot en met 3)
- Gevorderde geletterdheid (na groep 4)
Taalbeschouwing is het leren reflecteren op de taalvorm. De manier waarop iets is verwoord en het
gebruik van taal.
Functies van taal:
- Communicatieve functie/ sociale functie
o Zelfhandhaving (beschermen en verdedigen)
o Zelfsturing (handelen ordenen en plannen aankondigen)
o Sturing van anderen (gedrag van anderen beïnvloeden)
o Structurering van het gesprek (gespreksverloop beïnvloeden)
- Conceptualiserende functie/ cognitieve functie
o Rapporteren (verslag doen van wat in de werkelijkheid voorkomt)
o Redeneren (gebeurtenis chronologisch kunnen ordenen)
o Projecteren (je proberen te verplaatsen in de gedachten van een ander)
- Expressieve functie
o Taal wordt gebruikt als expressiemiddel
Competenties
- Communicatieve competentie: het vermogen om de communicatieve functie van taal te
gebruiken.
- Grammaticale competentie -> linguïstische competentie.
- Tekstuele competentie
- Strategische competentie -> pragmatische competentie.
- Functionele competentie -> pragmatische competentie.
Verschillende niveaus in taal
Niveau Regels voor
Fonologisch Uitspraak
Morfologisch Opbouw van woorden
Syntactisch Volgorde van woorden
Semantisch Betekenis
Pragmatisch Gebruik
Orthografisch Spelling
Recursief systeem: een element van de taal kan weer eenzelfde element van de taal bevatten.
Beginnende geletterdheid: de belangstelling voor het geschreven woord in de groepen 1 t/m 3.
, 3. mondelinge taalvaardigheid
Theorieën van taalverwerving
1. Behaviorisme: kinderen leren hun taal door imitatie.
2. Creatieve constructietheorie of mentalisme: kinderen beschikken over een zelf aangeboren
taalvermogen.
3. Interactionele benadering: belang van aangeboren taalvermogen maar men benadrukt het
taalaanbod van de omgeving de interactie tussen een kind en andere moedertaalsprekers bij het
leren van taal. Eerste taalverwerving
Fonologisch niveau: spraakklanken.
Morfologisch niveau: de manier waarop woorden gevormd worden.
Semantisch niveau: hier gaat het om de betekenis van woorden.
Syntactisch niveau: leren de regels die er zijn voor het combineren van woorden.
Pragmatisch niveau: regels worden eigen gemaakt voor het gebruik van taal en de communicatie
tussen mensen.
In het taalverwervingsproces van kinderen onderscheiden we de volgende twee perioden:
- De prelinguale/ voortalige periode (0 tot 1 jaar)
Er wordt nog niet gesproken van taal, omdat het kind geen systeem van symbolen en regels
hanteert.
Huilen, brabbelen, vocaliseren en vocaal spel.
- De linguale/ talige periode
Een kind gaat woorden en zinnen als communicatiemiddel gebruiken.
o De vroeglinguale periode: 1 tot 2,5 jaar
o De differentiatie periode: 2,5 tot 5 jaar
o De voltooiingsperiode: 5 tot 9 jaar
Simultane tweetaligheid: iemand leert twee talen min of meer tegelijk aan.
Successieve tweetaligheid: iemand leert een tweede taal nadat de eerste taal is aangeleerd.
Interferentiefouten: fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en tweede taal.
Luisterstrategieën:
- Globaal: ook wel begrijpend luisteren. Je wil de informatie die verteld wordt begrijpen.
- Intensief: Je wil ook alle details van het verhaal in je opnemen.
- Kritisch: je probeert tijdens het luisteren een mening te vormen.
- Gericht: je bent geïnteresseerd in bepaalde aspecten van het verhaal.
Spreekdoelen:
- Informeren
- Amuseren
- Instrueren
- Overtuigen
Gesprekssoorten:
- Monoloog: 1 spreker is actief
- Dialoog: 2 sprekers zijn actief
- Groepsgesprek: meerdere sprekers zijn actief
4. Woordenschat
BASISKENNIS Suppers,Nena N.
TAALONDERWIJS
3e druk
,Aantekeningen vanuit de basiskennis taalonderwijs
2. taalonderwijs en taal
Binnen de geletterdheid kunnen drie stadia worden onderscheiden:
- Ontluikende geletterdheid (voorschoolse periode van 0 tot 4 jaar)
- Beginnende geletterdheid (groep 1 tot en met 3)
- Gevorderde geletterdheid (na groep 4)
Taalbeschouwing is het leren reflecteren op de taalvorm. De manier waarop iets is verwoord en het
gebruik van taal.
Functies van taal:
- Communicatieve functie/ sociale functie
o Zelfhandhaving (beschermen en verdedigen)
o Zelfsturing (handelen ordenen en plannen aankondigen)
o Sturing van anderen (gedrag van anderen beïnvloeden)
o Structurering van het gesprek (gespreksverloop beïnvloeden)
- Conceptualiserende functie/ cognitieve functie
o Rapporteren (verslag doen van wat in de werkelijkheid voorkomt)
o Redeneren (gebeurtenis chronologisch kunnen ordenen)
o Projecteren (je proberen te verplaatsen in de gedachten van een ander)
- Expressieve functie
o Taal wordt gebruikt als expressiemiddel
Competenties
- Communicatieve competentie: het vermogen om de communicatieve functie van taal te
gebruiken.
- Grammaticale competentie -> linguïstische competentie.
- Tekstuele competentie
- Strategische competentie -> pragmatische competentie.
- Functionele competentie -> pragmatische competentie.
Verschillende niveaus in taal
Niveau Regels voor
Fonologisch Uitspraak
Morfologisch Opbouw van woorden
Syntactisch Volgorde van woorden
Semantisch Betekenis
Pragmatisch Gebruik
Orthografisch Spelling
Recursief systeem: een element van de taal kan weer eenzelfde element van de taal bevatten.
Beginnende geletterdheid: de belangstelling voor het geschreven woord in de groepen 1 t/m 3.
, 3. mondelinge taalvaardigheid
Theorieën van taalverwerving
1. Behaviorisme: kinderen leren hun taal door imitatie.
2. Creatieve constructietheorie of mentalisme: kinderen beschikken over een zelf aangeboren
taalvermogen.
3. Interactionele benadering: belang van aangeboren taalvermogen maar men benadrukt het
taalaanbod van de omgeving de interactie tussen een kind en andere moedertaalsprekers bij het
leren van taal. Eerste taalverwerving
Fonologisch niveau: spraakklanken.
Morfologisch niveau: de manier waarop woorden gevormd worden.
Semantisch niveau: hier gaat het om de betekenis van woorden.
Syntactisch niveau: leren de regels die er zijn voor het combineren van woorden.
Pragmatisch niveau: regels worden eigen gemaakt voor het gebruik van taal en de communicatie
tussen mensen.
In het taalverwervingsproces van kinderen onderscheiden we de volgende twee perioden:
- De prelinguale/ voortalige periode (0 tot 1 jaar)
Er wordt nog niet gesproken van taal, omdat het kind geen systeem van symbolen en regels
hanteert.
Huilen, brabbelen, vocaliseren en vocaal spel.
- De linguale/ talige periode
Een kind gaat woorden en zinnen als communicatiemiddel gebruiken.
o De vroeglinguale periode: 1 tot 2,5 jaar
o De differentiatie periode: 2,5 tot 5 jaar
o De voltooiingsperiode: 5 tot 9 jaar
Simultane tweetaligheid: iemand leert twee talen min of meer tegelijk aan.
Successieve tweetaligheid: iemand leert een tweede taal nadat de eerste taal is aangeleerd.
Interferentiefouten: fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en tweede taal.
Luisterstrategieën:
- Globaal: ook wel begrijpend luisteren. Je wil de informatie die verteld wordt begrijpen.
- Intensief: Je wil ook alle details van het verhaal in je opnemen.
- Kritisch: je probeert tijdens het luisteren een mening te vormen.
- Gericht: je bent geïnteresseerd in bepaalde aspecten van het verhaal.
Spreekdoelen:
- Informeren
- Amuseren
- Instrueren
- Overtuigen
Gesprekssoorten:
- Monoloog: 1 spreker is actief
- Dialoog: 2 sprekers zijn actief
- Groepsgesprek: meerdere sprekers zijn actief
4. Woordenschat