Samenvatting
HC 1
Economie gaat over alle (economische) interactie tussen individuen/bedrijven/overheden
Er is economische groei door productiviteitsgroei
- Productiviteitsgroei; meer productie binnen dezelfde tijdspan
Als er geen economische groei is, dan is er crisis (recessie)
Afgelopen jaren is er voornamelijk economische groei toegenomen door invloed van het
kapitalisme
- Kapitalisme; productiemiddelen/verbruiksgoederen in volledig particulier bezit waarmee
gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke winst
Kenmerken kapitalisme;
- Privaateigendom; producten/winsten worden niet afgepakt
- Markten; zijn wederkerig/vrijwillig en er is aanwezigheid van concurrentie
- Bedrijven; mogelijk tot specialisatie en schaalvoordelen --> efficiënter -->
productiviteitsgroei
Economie is de optelsom van alle individuele keuzes van individuen/bedrijven
De overheden gebruiken wetten/regels/prikkels om deze individuele keuzes mogelijk te
maken en te beïnvloeden.
- Overheden prikkelen op vele manieren om bepaald gedrag wel te tonen (hard werken,
studeren) en bepaald gedrag niet te vertonen (roken, drinken, ongezond eten)
- Het belonen van succes en het straffen van falen zorgt ervoor dat we productiever
worden
- Hierdoor neemt het verschil tussen succesvol en niet succesvol (arm en rijk) toe
Er is vaak een conflict tussen efficiency en ongelijkheid
- Efficiency; grootte van de taart
- Ongelijkheid; verdeling van de taart
We gaan binnen de economie vanuit dat we ons rationeel en optimaliserend gedragen
- We kiezen datgene wat ons het meest nut/geluk oplevert, de optimale punten, de beste
uitkomsten.
- Dit is omdat we hier gemakkelijk wiskundige formules en grafieken van kunnen
maken
1
,Maar we zijn niet 100% rationeel, tegenwoordig is er ook veel aandacht voor bounded
rationality en cognitive biases.
- Bounded rationality (gebonden rationeel gedrag); we willen we die optimale keuze
maken, maar we zijn niet slim genoeg, we kunnen niet al die alternatieven overzien
- Bijv. als ik €20 te besteden heb en hiervan een t-shirt wil kopen, ik niet overzien wat
alle t-shirts in Nederland zijn en hieruit het optimale t-shirt kiezen. Ik wil wel dat
optimale t-shirt, maar het lukt me niet om alle alternatieven te overzien
- Soms denken we dat we rationeel doen, maar dat is helemaal niet zo
- Cognitive biases (denkfout); een gedragsafwijking in de beoordeling, waarbij conclusies
over andere mensen/situaties op een onlogische manier worden getrokken
- Mensen creëren hun eigen ‘subjectieve sociale realiteit’, m.b.v. enkel hun eigen
waarneming.
- Mensen vinden het lastig om hun eigen mening om te buigen
Het economische probleem;
- Wat moet er worden geproduceerd?
- Hoe moet het worden geproduceerd?
- Wie krijgt de geproduceerde goederen/diensten?
Doordat we meer willen consumeren dan mogelijk, ontstaat er schaarste.
- De behoeften zijn oneindig, de middelen beperkt
Schaarste leidt tot competitie, we gaan concurreren met elkaar om datgene te krijgen wat
we willen
- We kunnen die competitie alleen winnen als je beter bent dan je concurrent
(efficiënter/productiever zijn dan je concurrent)
- Dit geeft ons prikkels om productiever te zijn
Elke keuze die je maakt gaat gepaard met kosten --> opportunity cost
Opportunity costs; de opbrengsten die je misloopt (expliciet en impliciet) omdat je voor het
één kiest en niet voor het andere.
- Opportunity costs beïnvloed gedrag en keuzes
Economic cost; expliciete en impliciete kosten
Economic rent; verschil tussen de ‘waarde’ en de economic cost
Sunk cost; kosten die kunnen worden teruggedraaid
- Sunk cost fallacy; ten onrechte, rekening houden met sunk cost bij de besluitvorming
2
,Opportunity Costs voorbeelden;
1) Je hebt een gratis kaartje gewonnen voor Adele
Het kaartje is niet overdraagbaar/verkoopbaar
Diezelfde avond speelt ook Rihanna, een kaart voor haar is €60
Je bent bereid maximaal €80 voor Rihanna te betalen
De overige kosten zijn gelijk
Wat zijn de Opportunity costs van het bezoeken van het concert van Adele?
Adele Rihanna
Willingness to Pay - €80
Explicit Costs €0 €60
Total hapiness - €20
Oppotunity costs van het bezoeken van het concert van Adele; €20
2) Je hebt een gratis kaartje gewonnen voor Adele
Het kaartje is niet overdraagbaar/verkoopbaar
Je zou normaal bereid zijn om €60 te voor Adele te betalen
Diezelfde avond speelt ook Rihanna, een kaart voor haar is €60
Je bent bereid maximaal €80 voor Rihanna te betalen
De overige kosten zijn gelijk
Naar welk concert zou je moeten gaan?
Adele Rihanna
Willingness to Pay €60 €80
Explicit Costs €0 €60
Total hapiness €60 €20
Adele; Economic rent: €60 – (€0 + €20) = €40
Rihanna; Economic rent: €80 – (€60 + €60) = -€40
Adele heeft een hogere economic rent, je moet dus naar Adele gaan
3
,3) Je hebt een gratis kaartje gewonnen voor Adele
Het kaartje is verkoopbaar voor €50
Je zou normaal bereid zijn om €60 te voor Adele te betalen
Diezelfde avond speelt ook Rihanna, een kaart voor haar is €60
Je bent bereid maximaal €80 voor Rihanna te betalen
De overige kosten zijn gelijk
Naar welk concert zou je moeten gaan?
Adele Rihanna
Willingness to Pay €60 €80
Explicit Costs €50 €60
Total hapiness €10 €20
Adele; Economic rent: €60 – (€50 + €20) = -€10
Rihanna; Economic rent: €80 – (€60 + €10) = €10
Rihanna heeft een hogere economic rent, je moet dus naar Rihanna gaan
4) Je hebt een kaartje gekocht voor Adele voor €50
Het kaartje is niet overdraagbaar/verkoopbaar
Je zou normaal bereid zijn om €60 te voor Adele te betalen
Diezelfde avond speelt ook Rihanna, een kaart voor haar is €60
Je bent bereid maximaal €80 voor Rihanna te betalen
De overige kosten zijn gelijk
Naar welk concert zou je moeten gaan?
Adele Rihanna
Willingness to Pay €60 €80
Explicit Costs €0 €60
Total hapiness €60 €20
Adele; Economic rent: €60 – (€0 + €20) = €40
Rihanna; Economic rent: €80 – (€60 + €60) = -€40
Adele heeft een hogere economic rent, je moet dus naar Adele gaan
Je hebt het kaartje van Adele al gekocht en het is niet overdraagbaar/verkoopbaar, dit zijn je
sunk cost (het zijn kosten die al zijn gemaakt en niet meer terug te draaien zijn, neem je niet
mee in je besluitvorming)
4
, HC 2
De grootte van de economie wordt gemeten via BBP (GDP)
- BBP; de totale geldwaarde van in een land geproduceerde finale goederen/services
gedurende een bepaalde periode
GDP per capita; hoe hoog is de GDP per hoofd van de bevolking?
- Zegt meer dan een GDP in geheel
Economische groei is de groei van GDP per capita
- Dit komt door productiviteit
- De vraag is dus eigenlijk; hoe kunnen we de productiviteit laten groeien?
Productiviteitsgroei hebben we bereikt omdat bijna niemand alles zelf doet;
- We zijn bijna allemaal gespecialiseerd
- Als iedereen zich specialiseert in datgene waar hij relatief goed in is, dat levert enorme
welvaartswinst op
Production possibilities frontier (PPF); de combinaties van twee goederen die geproduceerd
kunnen worden in een bepaalde tijd onder de condities van een optimale staat van
technologie en volledig ingezet met werknemers
- Laat de mogelijke productie combinaties van 2 producten zien (bij efficiënt gebruik)
A rechte lijn PPF laat zien dat er een constante
opportunity costs is
Als je in het inefficiente gebied zit, kost de
opportunity costs voor het meer produceren van
computers en televisies niets
Absoluut voordeel; je kijkt niet naar waar je beter in bent
5
,Voorbeeld Absoluut voordeel; je bent beter in het produceren van een product dan het
andere land
Frankrijk en Duitsland produceren auto’s en fietsen, beide landen hebben 100 uur
beschikbaar
Productie per uur van fietsen en auto's
Duitsland Frankrijk
Fietsen 2 6
Auto's 8 2
- Let erop dat hier staat; productie per uur (niet uren arbeid) !
- Duitsland heeft een “Absoluut voordeel” in de productie van auto’s
- Frankrijk heeft een “Absoluut voordeel” in de productie van fietsen
PPF van Duitsland PPF van Frankrijk
Beide landen moeten op een prijs uitkomen die handel voordelig maakt voor beiden.
- Dit is een “prijs” (ruilvoet) die tussen de “opportunity costs” van beide landen ligt
- Duitsland: 1 Auto=1/4 Fiets en dus 1 Fiets = 4 Auto
- Frankrijk: 1 Auto=3 Fietsen en dus 1 Fiets = 1/3 Auto
- Mogelijke “prijs”: 1 Auto=3/4 Fiets (de prijs moest ergens tussen ¼ en 3 liggen)
Ze besluiten 300 Fietsen te ruilen voor 400 Auto’s
Productie, handel en consumptie per uur van fietsen en auto's
Productie Handel Consumptie
Duitsland 800 Auto's 400 Auto's --> 300 Fietsen 400 & 300
Frankrijk 600 Fietsen 300 Fietsen --> 400 Auto's 400 & 300
6
,Wat nou als je nergens een absoluut voordeel in hebt? Of juist overal een absoluut voordeel
over hebt? --> comparatieve voordelen
Comparatief voordeel; je kijkt niet naar waar je beter in bent, maar waar je relatief beter in
bent in vergelijking met een ander product.
Voorbeeld;
Absolute voordelen
Uren arbeid voor
Auto's Fietsen
productie van 1:
Duitsland 8 2
Frankrijk 10 5
Zoals je kan zien, heeft Duitsland een absoluut voordeel in zowel Auto’s als Fietsen. Maar nu
gaan we het uitdrukking in opportunity costs;
Comparatieve voordelen
Opportunity costs
Auto's Fietsen
voor productie van 1:
Duitsland 4 Fietsen 1/4 Auto
Frankrijk 2 Fietsen 1/2 Auto
Frankrijk heeft een comparatief voordeel in het maken van Auto’s.
- Frankrijk is beter in het maken van Auto’s dan Duitsland in termen van Fietsen
- Frankrijk moet zich gaan specialiseren in het maken van Auto’s
- Duitsland moet zich gaan specialiseren in het maken van Fietsen
Dit lijdt nog steeds op voordelen voor beiden
Situatie zonder handel (autarkie) (1000 uur)
Duitsland: 1 Auto= 4 Fiets en dus 1 Fiets = 1/4 Auto
Frankrijk: 1 Auto= 2 Fietsen en dus 1 Fiets = 1/2 Auto
- Mogelijke “prijs”: 1 Auto = 3 Fiets (de prijs moest ergens tussen 2 en 4 liggen)
Ze besluiten 150 Fietsen te ruilen voor 50 Auto’s
7
, Productie, handel en consumptie per uur van fietsen en auto's
Productie Handel Consumptie
Duitsland 500 Fietsen 150 Fietsen --> 50 Auto’s 350 Fietsen & 50 Auto’s
Frankrijk 100 Auto’s 50 Auto’s --> 150 Fietsen 150 Fietsen & 50 Auto’s
Ze consumeren nu op een punt die nog niet mogelijk was vóór specialisatie
- Ze zijn nu beter af
Hoe meer handel --> hoe meer specialisatie --> hoe meer welvaart
Door handel gaan mensen zich dus specialiseren, hierdoor komen er sectoren die winnen en
sectoren die verliezen
- Winnaars; iedereen die betrokken is bij de sectoren waarin een land een comparatief
voordeel heeft
- Verliezers; iedereen die betrokken is bij de sectoren waarin een land geen comparatief
voordeel heeft
8
, HC 3
Comparatieve voordelen; het goed dat je relatief goedkoop kan produceren
- In termen van andere goederen
- Elk land/bedrijf/persoon zou zich moeten specialiseren waar ze relatief goed in zijn
- Datgene waar we de laagste opportunity costs in hebben
De uitkomst van comparatieve voordelen;
- Iedereen meer gaat produceren dan ze zelf nodig hebben (produceert meer dan wat ze
zelf kan consumeren)
- Je creëert een surplus
- Iedereen produceert minder dan ze zelf nodig hebben
- Dat consumeren we weer bij andere bedrijven/landen/personen
Dit kan alleen als vraag en aanbod samen komen (we hebben dus markten nodig)
In de standaard economie gaan we uit van perfecte markten.
- Markten die via vraag en aanbod tot een evenwicht komen waar iedereen goed is
Om een perfecte markt te creëren;
- Goederen moeten homogeen zijn
- Elk goed dat een klein beetje anders is dan een ander goed, is dan weer een aparte
markt voor
- Olie, grondstoffen, financiële producten zijn homogene goederen
- Geen marktkracht
- Verkopers/kopers mogen geen invloed hebben op de prijs.
- Price as given
- Geen informatie asymmetrie
- Iedereen moet dezelfde hoeveelheid informatie hebben
- Er moeten een groot aan kopers en verkopers zijn
- Het moet gratis zijn om de markt te betreden en uittreden
- Rationeel en optimaliserend gedrag
- Markten functioneren in isolatie
- We gaan er vanuit dat vraag en aanbod overal werkt en hetzelfde werkt
- We kijken niet naar de omgeving van die markt
9
, Vraag;
- Voor welke prijs is iets kopen een goede deal?
- Law of demand; ceterius paribus, de gevraagde hoeveelheid van een goed neemt af als
de prijs stijgt (vice versa)
- Stijging van de prijs ---> daling gevraagde hoeveelheid (negatieve relatie)
- Als de prijs hoger is dan is het voor minder mensen een goede keuze om dat
product te kopen, voor minder mensen geldt dat de willingness to pay hoger is
dan de prijs op de markt en dit zou lijden tot minder vraag.
- Als de prijs omlaag gaat is het voor meer mensen het een optimale keuze om
dat product te kopen, voor meer mensen geldt dat de willingsness to pay
hoger/gelijk is aan de prijs op de markt en dit lijdt tot meer vraag
Elasticiteit; hoe gevoellig is de vraag voor een prijsverandering
- Gevoelig voor prijsverandering --> prijs elasticiteit goed
- Dit zijn de goederen die vaak in de aanbieding zijn
- Niet gevoelig voor prijsverandering --> prijs inelastisch goed
- Broeken zijn minder in de aanbieding dan t-shirt. Die koop je toch wel, je gaat niet
opeens veel meer kopen als hij in de aanbieding is.
- Andere voorbeelden voor prijs inelastische goederen; benzine, alcohol, sigaretten
Elastisch goed inelastisch goed
Als de prijs van een elastisch goed daalt dan zal er veel meer vraag zijn naar het product
- En vice versa
Als de prijs van een inelastisch goed daalt dan zal de vraag naar het product weinig
toenemen
- En vice versa
Law of diminshing marginal utility; hoe meer je van iets consumeert, hoe minder extra blij je
daarvan wordt
Verandering in de gevraagde hoeveelheid (change in quantity demanded);
- Als de prijs veranderd, veranderd de gevraagde hoeveelheid
- Gebeurt DOOR een prijsverandering
- Verschuiving OVER de vraagcurve
- Inkomens effect; als een goed duurder wordt, dan heb ik indirect een lager inkomen
daarna
- Substitutie effect; als cola duurder wordt dan sinas, dan wordt er meer sinas gekocht
Verandering in de vraag (change in demand);
10