e 3 ontwikkel gebieden
- Sociaal emotioneel
- Lichamelijk
- Hersenen / denkvermogen
Levensloop: bestaat uit verschillende fase die een vaste volgorde hebben en
onderling samenhang vertonen
Fase: tijd waarin mensen voorspelbare overeenkomsten in lichamelijke en
geestelijke ontwikkeling vertonen
Periode: deel van een fase met bepaald kenmerken
Vroege adolescentie = puberteit fase 1 (10 - 14)
- Niet willen opvallen
- Vooral bij de groep horen
- Handelen impulsief denken niet aan gevolgen
Midden adolescentie = experimenteel fase 2 (14 - 16)
- Ontwikkeld zichzelf steeds meer afwijken
- Moodswings ander haar, andere stijl
- Risico’s drugs, alcohol
- Denken nog steeds niet goed aan gevolgen
Late Adolescentie = volwassen, maar net niet fase 3 (16 - 22)
- Zelfbewuster minder groepsdruk
- Verantwoordelijk, maar niet goed genoeg
- Denken vooruit, maar vallen af en toe terug op onvolwassenheid
Puberteit Puber betekent pubes betekent ‘Geslachtsrijp’
en
adolescenti Puberteit: geslachtsrijp, vroege adolescenten (biologische ontwikkeling).
e Adolescentie: Adolescere – opgroeien, rijp worden, hersenontwikkeling /
identiteitsontwikkeling.
Jeugdland (Lea Dasberg): Adolescentie als aparte fase van uitgestelde
volwassenheid.
- Fase kon ontstaan onder invloed van toegenomen rijkdom waardoor
meer ruimte is ter voorbereiding op volwassenheid
Forever-Youngcultuur: Jong is de norm en je bent zo oud als je je voelt.
- Ouders en adolescent gaan gelijk met elkaar om ouders willen ‘liever
een vriend’ opvoeden
- Gevolg: docenten moeten opvoedingsrol aannemen
beeldvormi Door berichten in literatuur en media over jongeren ontstaat er een bepaald
ng beeld over hen Beeldvorming
Beeld is niet altijd juist, vaak generalisatie.
(denk aan hangjeugd, alcohol drinkers, kut tieners gewoon)
Sturm en Stanley hall grondlegger adolescentiepsychologie in de VS
, Drang Adolescentie is een fase van emotionele labiliteit, spanning en beroering,
(Storm en voorkomend uit genetisch bepaalde biologische veranderingen aan het begin
stres) van de adolescentie
Nature Nature = aangeboren
Nurture Nurture = aangeleerd (omgeving)
debat
Historische context = context waarin je opgroeit
Bijzonderheden uit de levenscyclus: heftige / toevallige gebeurtenissen
(corona, oorlog, overlijden van een naaste, scheiden van ouders, etc.)
In de 3 onderdelen
hersenen - Grote hersenen
- Kleine hersenen
- Hersenstam
Pariëtale cortex regelt ruimtelijke waarnemingen en zintuigelijke
informatie
Amygdala links zijkant van brein, zorgt voor emoties, hormonale
ontwikkeling
Temporale cortex regelt gehoor, taalfuncties en verbaal geheugen
Achterhoofd visuele waarnemingen
Pre frontale cortex hoge cognitieve functies als beoordelingsvermogen,
plannning, werkgeheugen, impulscontrole en doelgericht gedrag.
- Gebrek aan impulsbeheersing en moeite met plannen/organiseren
doordat de hersenen zich ‘van achter naar voren’ ontwikkelen en dit
gedeelte dus als laatste in ontwikkeling is.
In bepaalde periodes zijn de hersenen het best uitgerust om verbindingen te
maken op bepaalde gebieden
Dan leveren leerervaringen het meeste op!
Taalontwikkeling 0-6 jaar
Quizlet https://quizlet.com/nl/924451167/college-1-flash-cards/?i=5lb5xa&x=1qqt