PROBLEEM 3
Leerdoelen:
1. Wat is het toetsingsverbod?
2. Wat is de rechtsvormende taak van de rechter?
3. Kan de rechter de wetgever opdracht geven tot regelgeving?
4. Wat is een Constitutioneel Hof? (Mening)
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H36 (‘Rechtsvormende taak van de rechter’),
H13 (p. 199-204), H30 (p. 696-699)
- Jurisprudentie:
1. Harmonisatiewet
2. Van den Bergh-Staat
3. Tegelen/Limburg
4. Sproeivliegtuigen
5. Waterpakt/Staat
6. Arbeidskostenforfait
LEERDOEL 1 WAT IS HET TOETSINGSVERBOD?
Het toetsingsverbod verbiedt de rechter om wetten te toetsen aan de Grondwet. M.a.w. een rechter
mag wetten niet beoordelen of willen veranderen.
Art. 120 Gw: De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en
verdragen.
De reden hiervoor is dat de wetgever democratisch is gekozen en dus het meest gelegitimeerd is
om wetten en verdragen te toetsen. Een rechter is niet democratisch gekozen. De taak van de
rechter is om wetten toe te passen, niet om ze te bekritiseren of aan te willen passen. Hij mag niet
in de stoel van de wetgever zitten.
Harmonisatiewet
Feiten:
- De Harmonisatiewet zou zorgen voor een verhoging van het collegegeld en een
beperking op de studiefinanciering voor een bepaalde groep studenten.
- Ook voor degenen die in 1987/1988 al als student ingeschreven stonden aan een WO of
HBO instelling, tellen de eerder genoten onderwijsjaren mee voor de maximale
inschrijvingsduur.
- Met de oude wetgeving zou dit niet mee hebben geteld.
- Vanwege deze nadelige gevolgen eisen de studenten de wetsbepaling niet toe te passen,
omdat deze in strijd zou zijn met de rechtszekerheid volgens art. 43 Statuut.
- Bovendien zou deze wetsbepaling ook nog instrijd zijn met ongeschreven fundamentele
rechtsbeginselen.
De eerste vraag die in r.o. 3.1 wordt gesteld is of art. 120 Gw de rechter vrijheid laat de wet in
formele zin te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen. Naar het oordeel van de HR moet
deze vraag ontkennend worden beantwoord.
De tweede vraag die in r.o. 3.3 wordt gesteld is hetzelfde als hierboven. Hier betrekken ze de
‘nieuwe’(huidige) formulering van art. 120 Gw en dat deze nieuwe formulering de vraag oproept
of de rechter de wet wel mag toetsen aan andere dan grondwettelijke normen, met name aan
1
Leerdoelen:
1. Wat is het toetsingsverbod?
2. Wat is de rechtsvormende taak van de rechter?
3. Kan de rechter de wetgever opdracht geven tot regelgeving?
4. Wat is een Constitutioneel Hof? (Mening)
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H36 (‘Rechtsvormende taak van de rechter’),
H13 (p. 199-204), H30 (p. 696-699)
- Jurisprudentie:
1. Harmonisatiewet
2. Van den Bergh-Staat
3. Tegelen/Limburg
4. Sproeivliegtuigen
5. Waterpakt/Staat
6. Arbeidskostenforfait
LEERDOEL 1 WAT IS HET TOETSINGSVERBOD?
Het toetsingsverbod verbiedt de rechter om wetten te toetsen aan de Grondwet. M.a.w. een rechter
mag wetten niet beoordelen of willen veranderen.
Art. 120 Gw: De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en
verdragen.
De reden hiervoor is dat de wetgever democratisch is gekozen en dus het meest gelegitimeerd is
om wetten en verdragen te toetsen. Een rechter is niet democratisch gekozen. De taak van de
rechter is om wetten toe te passen, niet om ze te bekritiseren of aan te willen passen. Hij mag niet
in de stoel van de wetgever zitten.
Harmonisatiewet
Feiten:
- De Harmonisatiewet zou zorgen voor een verhoging van het collegegeld en een
beperking op de studiefinanciering voor een bepaalde groep studenten.
- Ook voor degenen die in 1987/1988 al als student ingeschreven stonden aan een WO of
HBO instelling, tellen de eerder genoten onderwijsjaren mee voor de maximale
inschrijvingsduur.
- Met de oude wetgeving zou dit niet mee hebben geteld.
- Vanwege deze nadelige gevolgen eisen de studenten de wetsbepaling niet toe te passen,
omdat deze in strijd zou zijn met de rechtszekerheid volgens art. 43 Statuut.
- Bovendien zou deze wetsbepaling ook nog instrijd zijn met ongeschreven fundamentele
rechtsbeginselen.
De eerste vraag die in r.o. 3.1 wordt gesteld is of art. 120 Gw de rechter vrijheid laat de wet in
formele zin te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen. Naar het oordeel van de HR moet
deze vraag ontkennend worden beantwoord.
De tweede vraag die in r.o. 3.3 wordt gesteld is hetzelfde als hierboven. Hier betrekken ze de
‘nieuwe’(huidige) formulering van art. 120 Gw en dat deze nieuwe formulering de vraag oproept
of de rechter de wet wel mag toetsen aan andere dan grondwettelijke normen, met name aan
1