Hoofdstuk 1 – Inleiding
De Nederlandse politiek kent in de twintigste eeuw geen plotselinge breuken of
politiek radicalisme met massale aanhang.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal. Tijdens de oorlog
kwam in Nederland in 1917 de Pacificatie tot stand. De volgende onderdelen
kwamen aan bod:
- Algemeen mannenkiesrecht
- Schoolstrijd tussen confessionelen en liberalen kwam ten einde
- Passief kiesrecht vrouwen (verkiesbaar stellen)
- Evenredige vertegenwoordiging districtenstelsel
In 1918 probeerde sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra een revolutie te
ondernemen in Nederland. Hij wilde de staatsmacht voor de arbeidersbeweging
opeisen, zelfs in zijn eigen partij vond hij hiervoor te weinig steun. Zijn ideeën
waren overigens geïnspireerd op de revolutionaire bewegingen in Duitsland.
Deze kleine dreiging van Troelstra is de boeken ingegaan als de “vergissing.”
De politiek was in de jaren’30 vrij rustig. Er verschenen wel een aantal
fascistische en nationalistische groeperingen ten tonele, maar hun betekenis in
de politiek was vrij marginaal.
Vooral protestanten, katholieken en socialisten beschikken over een stabiele en
trouwe aanhang. Liberalen daarentegen worden geconfronteerd met een afname
in stemmers.
De Nederlandse samenleving en zelfs de politiek was verdeeld in religieuze
zuilen die onderling weinig tot geen contact hadden. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog kwam hier geen verandering in.
De Partij van de Arbeid (PvdA) werd in 1946 opgericht, zij hadden zichzelf
ten doel gesteld een doorbraak in de verzuilde politieke structuur te forceren,
maar deze poging was weinig succesvol.