Psychologie hoorcollege week 2
Wat is sensatie?
De eerste gewaarwording van een stimulus.
Wat is perceptie?
de interpretatie van de sensatie
( Sprake van beeldvorming )
Wanneer iemand een schouderklopje geeft kan iedereen anders reageren. Dat vind ik niet fijn of dat
vind ik wel fijn.
Hoe werken zintuigen:
Een voorbeeld van het oog
Stimulatie Transductie ( omzetten ) Sensatie Perceptie
Dit gebeurt in een nanoseconde
Vlinder ( lichtgolven) Receptoren neurale impulsen
1. Stimulatie Beelden ( vlinder) vallen op je oog
2. Transductie Je oog zet beeld van de vlinder om in hersenentaal
3. Sensatie Hersenen kennen eigenschappen toe aan beeld ( kleur, vorm, formaat ec.)
4. Perceptie De hersenen herkennen het totaalplaatje een vinder.
, 1. Grond:
Dat deel van een patroon dat geen aandacht trekt; de achtergrond.
2. Waar-route:
Een route in het brein die loopt vanuit de occipitaalkwab naar de pariëtaal kwab
en die informatie bevat over de locatie van een voorwerp ten opzichte van ons
lichaam (is het voorwerp voor ons, kunnen we ertegenaan lopen?).
3. Wet van Prägnanz
Het meest algemene Gestaltprincipe, dat stelt dat onze perceptie kiest voor de
figuur met de eenvoudigste ordening, die de minste cognitieve inspanning
vereist.
4. Signaaldetectietheorie
Theorie die stelt dat de beoordeling tijdens het proces van perceptie een
combinatie is van de sensatie en besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt kenmerken van de waarnemer toe aan de klassieke
psychofysica.
5. Sluiting
Term uit de Gestaltpsychologie; de neiging om lege plekken in figuren in te vullen
zodat incomplete figuren als geheel worden waargenomen.
6. Verschildrempel
De kleinst mogelijke verandering waarbij een stimulus nog de helft van het aantal
pogingen wordt opgemerkt.
7. Perceptuele constantie
Het vermogen om hetzelfde voorwerp in verschillende omstandigheden,
bijvoorbeeld bij veranderend licht, op verschillende afstanden of in diverse
omgevingen, te herkennen.
8. Subjectieve contouren
Omtrekken die wel worden waargenomen, maar niet in het stimuluspatroon
voorkomen.
9. Sensorische adaptatie
Proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus een
bepaalde tijd op hetzelfde niveau blijft.
10. Wet van nabijheid
Het Gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn voorwerpen die zich dicht bij
elkaar bevinden tot een groep te ordenen.
11. Wet van gelijkenis
Het Gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn gelijke voorwerpen in onze
perceptie in een groep onder te brengen.
12. Receptoren
Gespecialiseerde neuronen in een zintuig die worden geactiveerd door stimuli. In
de receptoren vindt transductie plaats: de omzetting van stimulusinformatie in
een zenuwimpuls.
13. Perceptuele predispositie
Gereedheid om een specifieke stimulus op te merken in een gegeven context
Wat is sensatie?
De eerste gewaarwording van een stimulus.
Wat is perceptie?
de interpretatie van de sensatie
( Sprake van beeldvorming )
Wanneer iemand een schouderklopje geeft kan iedereen anders reageren. Dat vind ik niet fijn of dat
vind ik wel fijn.
Hoe werken zintuigen:
Een voorbeeld van het oog
Stimulatie Transductie ( omzetten ) Sensatie Perceptie
Dit gebeurt in een nanoseconde
Vlinder ( lichtgolven) Receptoren neurale impulsen
1. Stimulatie Beelden ( vlinder) vallen op je oog
2. Transductie Je oog zet beeld van de vlinder om in hersenentaal
3. Sensatie Hersenen kennen eigenschappen toe aan beeld ( kleur, vorm, formaat ec.)
4. Perceptie De hersenen herkennen het totaalplaatje een vinder.
, 1. Grond:
Dat deel van een patroon dat geen aandacht trekt; de achtergrond.
2. Waar-route:
Een route in het brein die loopt vanuit de occipitaalkwab naar de pariëtaal kwab
en die informatie bevat over de locatie van een voorwerp ten opzichte van ons
lichaam (is het voorwerp voor ons, kunnen we ertegenaan lopen?).
3. Wet van Prägnanz
Het meest algemene Gestaltprincipe, dat stelt dat onze perceptie kiest voor de
figuur met de eenvoudigste ordening, die de minste cognitieve inspanning
vereist.
4. Signaaldetectietheorie
Theorie die stelt dat de beoordeling tijdens het proces van perceptie een
combinatie is van de sensatie en besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt kenmerken van de waarnemer toe aan de klassieke
psychofysica.
5. Sluiting
Term uit de Gestaltpsychologie; de neiging om lege plekken in figuren in te vullen
zodat incomplete figuren als geheel worden waargenomen.
6. Verschildrempel
De kleinst mogelijke verandering waarbij een stimulus nog de helft van het aantal
pogingen wordt opgemerkt.
7. Perceptuele constantie
Het vermogen om hetzelfde voorwerp in verschillende omstandigheden,
bijvoorbeeld bij veranderend licht, op verschillende afstanden of in diverse
omgevingen, te herkennen.
8. Subjectieve contouren
Omtrekken die wel worden waargenomen, maar niet in het stimuluspatroon
voorkomen.
9. Sensorische adaptatie
Proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus een
bepaalde tijd op hetzelfde niveau blijft.
10. Wet van nabijheid
Het Gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn voorwerpen die zich dicht bij
elkaar bevinden tot een groep te ordenen.
11. Wet van gelijkenis
Het Gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn gelijke voorwerpen in onze
perceptie in een groep onder te brengen.
12. Receptoren
Gespecialiseerde neuronen in een zintuig die worden geactiveerd door stimuli. In
de receptoren vindt transductie plaats: de omzetting van stimulusinformatie in
een zenuwimpuls.
13. Perceptuele predispositie
Gereedheid om een specifieke stimulus op te merken in een gegeven context