Cellen ....................................................................................................................................................... 1
Schimmels en bacteriën ........................................................................................................................ 13
Plant en dier .......................................................................................................................................... 19
Omgeving............................................................................................................................................... 39
Stevigheid .............................................................................................................................................. 45
Lichaam in stand.................................................................................................................................... 51
Bescherming .......................................................................................................................................... 61
Zintuigen ................................................................................................................................................ 67
Generaties ............................................................................................................................................. 75
Erfelijk .................................................................................................................................................... 81
Antigenen/ antistoffen .......................................................................................................................... 87
Gedrag ................................................................................................................................................... 91
0
,Cellen
Levenskenmerken - Biologie betekent: leer van het leven. Je noemt iets levend als het
alle levenskenmerken of levensverschijnselen vertoont. Een levend wezen noem je een organisme.
Een organisme dat geen levenskenmerken meer vertoont is dood.
Iets dat nooit heeft geleefd noem je levenloos.
De natuur bestaat uit zowel levende als niet levende onderdelen. Alle levende onderdelen in de
natuur noem je biotisch. De niet-levende onderdelen noem je abiotisch. Tot slot moet je nog
onderscheid maken tussen organische stoffen en anorganische stoffen.
Bewegen
Dieren bewegen op verschillende manieren: lopen, vliegen, zwemmen, kruipen.
Planten bewegen ook, bijvoorbeeld een bloem die zich opent in het licht.
Waarnemen
Waarnemen betekent dat een organisme merkt wat er in de omgeving gebeurt.
Het waarnemen is een levenskenmerk dat organismen gebruiken om bijvoorbeeld voedsel te
vinden of gevaar te signaleren.
Veel dieren (ook de mens) nemen via zintuigen waar met hun hersenen.
Planten kunnen licht waarnemen.
1
,Reageren
Reageren betekent dat een organisme iets doet of dat er in het lichaam van het
organisme iets verandert, als er in de omgeving iets verandert.
Je bent dan eerst aan het waarnemen en daarna aan het reageren. Dieren
reageren op licht, geluid en andere waarnemingen.
Planten reageren ook op het licht.
Ze groeien naar de zon toe.
Voortplanten
Alle organismen zorgen ervoor dat ze nakomelingen krijgen.
Er zijn verschillende soorten voortplanting.
Dieren krijgen jongen. Planten maken zaden. Bacteriën planten zich voort door
zichzelf te delen.
Groeien
Groeien is het groter en zwaarder worden van een organisme. Organismen
nemen voeding en water op om te groeien.
Een boom bijvoorbeeld wordt ieder jaar een stukje dikker.
Ontwikkelen
Ontwikkelen betekent van vorm veranderen.
Een organisme ziet er gewoonlijk niet een heel leven hetzelfde uit. Weefsels krijgen
speciale taken of soms komen er nieuwe organen bij.
Een mens ontwikkelt zich van baby tot volwassene.
Een vlinder maakt in zijn leven een
metamorfose door. Een rups ontwikkelt
zich via een pop tot vlinder.
Ook planten ontwikkelen zich van
kiemplantje tot volwassen plant.
Het gaat bij ontwikkelen om lichamelijke ontwikkeling.
De geestelijke ontwikkeling
(alles wat je denkt en voelt) van een mens gaat een heel leven door.
2
, Voeden
Alle organismen hebben voedsel en water nodig.
Uit het voedsel halen organismen de energie voor alles wat ze doen en de
stoffen om te groeien.
Ademhalen
Elk organisme ademt. Mensen en andere zoogdieren ademen met hun longen.
Door te ademen komt zuurstof het lichaam binnen.
Vogels hebben ook longen en daarnaast een paar luchtzakken.
Ook reptielen ademen met hun longen. Vissen gebruiken hun kieuwen
om zuurstof uit het water te halen.
Amfibieën hebben als larve kieuwen. Als ze volwassen zijn ademen kikkers
door middel van hun longen. Een vorm van ontwikkeling dus!
Ook planten 'ademen'. Zij nemen koolstofdioxide op door huidmondjes in
de bladeren.
Als organismen niet ademen, gaan ze dood.
Uitscheiden
Uitscheiden betekent dat een organisme stoffen die hij niet nodig heeft
verwijdert.
Mensen doen dit bijvoorbeeld door te zweten of te plassen.
Planten scheiden via huidmondjes in de bladeren zuurstof en water af.
Bouw van een cel
Cellen van planten en dieren
Alle planten, schimmels, bacteriën en dieren bestaan uit cellen.
Cellen zijn de bouwstenen van levende wezens ofwel organismen.
Alle levende inhoud van een cel noem je samen het protoplasma. Bij planten en
dieren bestaat het protoplasma uit cytoplasma en een kern. In het cytoplasma
drijven de organellen. Organellen zijn onderdelen van de cel met een bepaalde
functie.
Met een lichtmicroscoop kun je sommige organellen waarnemen.
3