Economie Havo. Verdeeld in hoofdstukken op onderwerp.
Hoofdstuk 1
- Vrijegoederen: niemand wil betalen ( lucht)
- Economische goederen: waarvoor je betaald eten, kleding etc
- Individuele goederen: degene die betaald gebruikt het ook.
- Collectieve goederen: dijken-veiligheid. Moet je voor betalen je word beschermd door de dijk ook al
wil je niet.
- Quasi-collectieve goederen: wegen, bruggen, onderwijs; betalen als je gebruik maakt.
- Toegevoegde waarde (productie)= omzet- onderlinge leveringen = gelijk aan productiefactoren.
Onderlinge leveringe: de inkopen bij een ander bedrijf bv. 10m leer.
Omzet: verkochte (a) x prijs van a Bv: 10 schoenen x €135= 1.350
Toegvoegde waarde (50 euro extra)
Omzet 10x20 --- waarde onderlinge leveringen ( 150 )
- Nationaal product: De toegevoegde waarde van alle bedrijven + overheid in een jaar.
- Nationaal inkomen: Bestaat uit de som van de beloningen van de productiefactoren (
loon,rente,pacht,winst) in een land in een jaar. Nationaal product == Nationaal inkomen.
- Externe effecten: Je legt een mooie tuin aan en de hele buurt geniet ervan en hun welvaart stijgt
daarmee, terwijl jij het voor jezelf koopt, en er onbedoeld anderen mee pleziert.
- Beroepsgeschikte bevolking: mensen tussen de 15 en 64 jaar.
- Beroepsbevolking: mensen die de mogelijkheid hebben om te kunnen werken voor geld. ( tussen 15
en 64 jaar.)
- je moet wel meer dan 12 uur werken in een week
- de werklozen behoren hier ook bij. ( wil een werkloze minder dan 12 uur p.w dan niet.)
- Participatiegraad= beroepsbevolking : beroepsgeschikte bevolking x 100%
- Kapitaalgoederen: zijn goederen die niet zijn bestemd voor consumenten, maar om andere
goederen te produce.
- Vaste kapitaalgoederen: zijn goederen die meer dan 1 productieproces meegaan ( machines
gebouwen auto)
- Vlottende kapitaalgoederen: voor 1 productieproces kunnen worden gebruikt ( vooraden van
grondstoffen)
- Investeren: het aanschaffen van kapitaalgoederen. Dus voor bedrijven
- Diepte-investering: zelfde hoeveelheid arbeid, meer kan worden geproduceerd.
- Arbeidsproductiviteit: waarde van de geproduceerde goederen: benodigde hoeveelheid
arbeidsuren.
- Waarde van de geproduceerde goederen : benodigde hoeveelheid arbeidsuren.
- Kapitaalintensiteit: de hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid (per mens). ( eerst 10x10
toen 10x30 )
- Breedte-investering: productiecapiciteit groter en word evenredig groter beroep gedaan op de
productiefactor arbeid. ( eerst 1 bus x 30 daarna = 30 2 bussen x 30= 60 )
1