Recht in het algemeen
1. Descriptief vs normatieve kennisgebieden
Descriptief: beschrijvend, bv natuurkunde, tandarts; beschrijft werkelijkheid.
Normatief: algemene regels die prescriptief zijn, voorbeelden:
A. Moraal en ethiek: hoe kun je een goed of fout mens worden, hoe kan ik een goed leven
leiden, wat is gepast gedrag?
B. Theologie/ religie: cluster van gewenst gedrag vanuit godsdienst perspectief, hoe wordt ik
een goed mens in ogen van de god, hoe wordt ik een goed mens in standpunt van de religie
die ik aanhang.
C. Fatsoensregels: hoe vindt men dat je je behoort te gedragen, zijn lichter van aard dan de
moraal en meer gericht op hoe je je uiterlijk gedraagt, hoe gedraag je je zodat je geen
aanstoot geeft aan anderen
D. Recht: prescriptie van gewenst gedrag vanuit perspectief van het recht, hoe behoor ik me
rechtmatig, conform het recht te gedragen?
Verschil tussen de verschillende soorten: bij recht wordt je gedwongen, het geldt voor iedereen
ongeacht je instemming. Het bindt ongeacht wat we daarvan vinden, het is een dwangsysteem, je
kunt niet aan de gelding ontsnappen. Als je dit overtreedt dan treedt de overheid op met sancties. Bij
de andere 3 hoef je je er niet aan te binden, kies je zelf voor.
Bij moraal bepaal je zelf of je de regels overtreedt, er zitten geen overheid sancties op het overtreden
van moraal, religie en fatsoen. Wel is de mogelijkheid op sociale uitsluiting, geen juridische sancties.
Bij religie kunnen er wel sancties zijn, je kunt naar de hel gaan of uit de kerk gezet worden.
2. Scheiding recht en moraal/religie
In primitieve samenlevingen is dit niet gescheiden, alle normatieve regels zijn door elkaar gegooid en
obv wordt recht gesproken. Als je gedragsregels zonder systeem handhaaft heeft dat tot nadeel dat
het gevaar bestaat dat er inconsequent wordt gehandeld.
Een systeem waarbij moraal, religie en recht niet gescheiden zijn heeft als gevaar dat
Niet iedereen gelijk behandeld wordt
Er rechtsonzekerheid ontstaat: burgers kunnen niet duidelijk weten wat hun verplichtingen
zijn
Geen scheiding van kerk en staat en dus religieuze dwang, er is geen gewetensvrijheid
Het is lastig bij te sturen: hoe verander je het recht? Er moeten procedures voor zijn
Modern systeem: recht is geëmancipeerd van moraal en religie. Het heeft zich losgemaakt en is een
algemeen systeem geworden dat losstaat van religie en moraal. Het zorgt voor rechtsgelijkheid door
algemene regels, het geeft zekerheid, scheiding van kerk en staat en is makkelijker bij te sturen.
3. Rechtsbronnen
Een regel behoort tot het recht als het voortvloeit uit één van de 4 rechtsbronnen.
4 rechtsbronnen:
1. Wet: overheidsbesluiten met algemene regels
2. Verdrag: afspraak/contract tussen staten, kan algemene regels bevatten
3. Jurisprudentie: algemene rechtsregels die blijken uit de uitspraken van de hoogste rechters, niet
de rechter de zelf regels bedenkt, hij vult het aan naar eigen inzicht, wetten oprekken.
4. Gewoonterecht: gewoontes onder de bevolking die lang bestaan en waarvan de bevolking ervan
overtuigd is dat het recht is. Lang bestaande gewoontes die worden beschouwd als rechtsregels. Het
,staat niet opgeschreven dus het is heel onduidelijk. Primitieve rechtsbron: onduidelijk. Wordt veelt
toegepast in het volkenrecht, algemeen aanvaarde staten praktijken.
Zuivere wetgeving is het geschreven recht: wetten en verdragen. Gebaseerd op trias politica, de
rechtsprekende macht beslecht geschillen tussen individuen op basis van geschreven wetten en niet
op basis van eigen opvattingen. Wetten en verdragen zijn belangrijkste rechtsbronnen. Ze bieden
zekerheid maar het leidt ook tot verstarring.
Tot recht/rechtsregels behoort wat voortvloeit uit 1 van de 4 rechtsbronnen.
4. Natuurrecht
Het rechtssysteem behoeft aanvullingen, er is recht dat van nature geldt. Er bestaat positief recht
(door de mens vastgestelde recht, voortgevloeid uit 1 van de 4 rechtsbronnen) en natuurrecht (recht
dat van nature geldt). 2 hoofdstromingen:
1. Bepaalde rechtsnormen gelden omdat god dat wil, ze vloeien voort uit de wil van god. Bv
thomas van aquino.
2. Er geldt natuurrecht, ook als god niet zou bestaan zou dit recht bestaan omdat ze eigen zijn
aan de menselijke waardigheid/rede. Van nature moet je bepaalde rechtsprincipes in acht
nemen. Ze gelden ongeacht wat de wetgever daarvan vind. Bv grotius. Zijn ingebakken in de
menselijke waardigheid en de wetgever kan daar niet aan afdoen. Als de wet afwijkt van de
natuurlijke principes van rechtvaardigheid is de wet ongeldig.
5. Indeling van het recht
Welke soorten rechten zijn er. Positief recht:
Burgerlijk recht = privaat recht = civiel recht: reguleert verhouding tussen burgers
Personenrecht: wie zijn de personen die rechten hebben familieverhoudingen en
rechtspersonen (vereniging/stichting/bv/nv)
Vermogensrecht: op geld waardeerbare verhoudingen tussen mensen
(contracten/aansprakelijkheid/eigendommen)
Kwantitatief belangrijkst recht!
Publiek recht: reguleert verhouding tussen overheid en burgers
Idealistischer
Strafrecht: wanneer mag de overheid de burger straffen
Staatsrecht: belangrijkste staatsinstellingen
Bestuursrecht: de bemoeienis van het openbaar bestuur met de inrichting van de
samenleving (vergunningen/toezicht)
Volkenrecht: regelt relatie tussen soevereine staten onderling
Hc 2 recht
-soevereiniteit: volkenrecht, iedere staat aanspraak heeft op soevereiniteit/autonomie van de staat
tov de andere staten. Staat heeft hoogste gezag over eigen grondgebied.
-2 dimensies soevereiniteit:
Externe kant: andere staten mogen niet inmengen op grondgebied andere staten met
geweld
Interne kant: staat heeft intern hoogste gezag over eigen grondgebied, geen concurrerende
machtsaanspraken te accepteren. Geweldsmonopolie van de overheid: overheid is de enige
die rechtmatig geweld mag gebruiken. Uitzondering op geweldsmonopolie: noodweer, als u
wordt aangevallen mag u zich verdedigen.
-liberale rechtsstaat, modern staatsrecht gericht op voorkomen misbruik overheid
geweldsmonopolie: door juridische regels de kans van misbruik verkleinen, beginselen voor
opgesteld:
, Bevoegdheidsspreiding
Rechtsstaat (recht op eerlijk proces
Democratie
Mensenrechten
-bevoegdheidsspreiding:
Voorkomen dat 1 persoon alle macht naar zich toetrekt
o Niet altijd in de historie een kenmerk geweest, absolutisme absolutie monarchie.
Uiteindelijk alle ambten ondergeschikt aan 1 staatshoofd, die heeft totale soevereiniteit.
Iedereen is altijd blij met het staatshoofd (noord-korea) in ons land is er altijd wel kritiek op
de overheid. Wij hakken de soevereiniteit in stukken en dragen verschillende taken aan
ambten toe. Dat kan op twee manieren:
- Verticaal: rijk, provincie, gemeente, waterschap
- Horizontaal: trias politica wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht door
montesquieu:
Overheidsfunctie (wat doet de overheid):
1. Wetgeving het opstellen van algemene regels
2. Bestuur eerste variant: het toepassen van algemene regels via beschikkingen (overheidsbesluit
gericht op 1 concreet bij namen genoemd persoon, rijbewijs, belastingaanslag of
bouwvergunning). Tweede variant: feitelijk beheer van de openbare ruimte en ordetoezicht
(aanleggen dijk, toezicht politie op straat).
3. Rechtspraak het handhaven van algemene regels (bestraffing of geschilbeslechtiging)
Orgaan of ambt:
1. Wetgeving regering en staten-generaal
- Art. 81 gw de vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de staten-generaal
gezamenlijk
2. Bestuur regering : koning en ministers
- Art. 42 gw de regering wordt gevormd door de koning en de ministers
- Art. 7 rijkswet op het nederlandschap met inachtneming van de bepalingen van dit
hoofdstuk verlenen wij op de voordracht van onze minister het nederlandschap aan
vreemdelingen die daarom verzoeken
- Art. 14 vreemdelingenwet onze minister is bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaald tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling
te nemen.
3. Rechtspraak rechterlijke macht
- Art 112 gw aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over
burgerlijke rechten en schuldverordeningen
- Art 113 gw aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare
feiten.
Checks and balances dat de machten elkaar controleren (que le pouvoir arrete le pouvoir)
1. Bevoegdheden delen : art 81 gw. De vaststelling van wetten geschied door de staten-generaal, art
42 gw. De regering wordt gevormd door de koning en ministers
2. Elkaar controleren: bestuursrecht uitvoerende macht controleren.
-niet zo fraai aan de grondwet:
Art 89 gw algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld
(besluit van de regering met algemene regels voor de burger). Bevoegdheid om algemene
regels vast te leggen ligt dus bij koning, gaat in tegen trias politica. Regering krijgt stukje
wetgevende macht.
, Art 30 gw wanneer vooruitzicht bestaat dat een troonsopvolger zal ontbreken, kan deze
worden benoemd bij een wet. Benoemen hoort bij bestuur, met deze wet wordt deze taak
niet toegegeven aan de uitvoerende macht maar aan de wetgevende macht, dus past niet bij
trias politica
Art 87 gw een wetsvoorstel wordt wet, zodra het door de staten-generaal is aangenomen
en door de koning is bekrachtigd zuivere machtenscheiding!
Art 71 gw de leden van de sg kunnen n iet in rechte worden vervolgd of aangsproken voor
hetgeen zij in de vergaderingen van de sg hebben gezegd zuivere machtenscheiding!
Art 68 gw de ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in
verenigde vergadering de door een of meer leden verlangde inlichten checks and balances
-rechtsstaat
Staat waarin het recht de functie heeft dat de rechter streng kan zijn voor de overheid ipv
tegen de burger. Overheid gebonden aan de wet.
Legaliteitsbeginsel (overheid gebonden aan wet) overheid is alleen bevoegd in het leven
van de burger in te grijpen mits de wet haar daartoe bevoegd. Zorgt voor: rechtszekerheid,
rechtsgelijkheid (burgers in gelijke gevallen gelijk behandelen)
Overheid gebonden aan mensenrechten en rechtsbeginselen
Onafhankelijke rechtspraak, garandeert dat burger eerlijk proces krijgt en burger tegen
overheid kan protesteren
Hc3 recht
Rechtstaat: staat waarin de overheid aan recht is gebonden. Het recht houdt beperkingen in voor
wat de overheid mag doen. Drie deelbeginselen: legaliteitsbeginsel, materiële normen waaraan de
rechter toets, toegang tot een onafhankelijke rechter.
Legaliteitsbeginsel: overheid mag alleen in ons leven ingrijpen, als de wet haar daartoe toegang
verleent. Biedt een basis voor gelijkheid.
Keerzijde legaliteitsbeginsel: buschauffeur misbruikt een geestelijk gehandicapt meisje. Op basis van
artikel 243 en 247: “geen ontucht met iemand met onmacht”. Onmacht = bewusteloosheid of
verlamming. Chauffeur werd vrijgesproken. Rechter kan niet ingrijpen.
Democratie = er is enige vorm van volksinvloed op het overheidsbestuur. Verschillende varianten:
- Directe democratie: de bevolking zelf (het electoraat) stemt rechtstreeks over de wetten
waardoor het gebonden wordt.
- Indirecte democratie: de bevolking wordt vertegenwoordigd door functionarissen die zij
hebben gekozen. Kan zich richten op alle drie de staatsmachten:
Wetgevende macht. Minimaal een gekozen volksvertegenwoordiging (parlementariërs).
Uitvoerende macht. Op twee manieren kan de uitvoerende macht aan zijn legitimatie
komen:
- Presidentieel stelsel: hoofd van de uitvoerende macht wordt gekozen door de
bevolking en deze benoemt het kabinet.
- Parlementair stelsel: de uitvoerende macht wordt niet gekozen door de bevolking,
de legitimatie van de uitvoerende macht berust op het vertrouwen van de
volksvertegenwoordiging. #nederland
Rechtgevende macht. Voor het leven benoemd.
Parlementair stelsel
Twee organen:
Volksvertegenwoordiging (1e en 2e kamer)/staten – generaal