Les 1 Algemene inleiding Anesthesie
➢ H1 en H2.1 uit: Klinische anesthesiologie.
➢ H14 (globaal) uit: Leerboek anesthesiologie.
Doelstelling Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM): het bevorderen
van de ontwikkelingen en toepassingen binnen de anesthesiologie in het belang van de
gezondheidszorg en het behartigen van de beroepsbelangen van haar leden in de ruimste
zin des woord.
✓ De student kan een algemene beschrijving geven van de geschiedenis van de anesthesie
• 1846: Eerste ingreep onder ether (met gaasmasker en doek met druppel anestheticum)
• 1847: Chloroform (gebruikt als inleidingsmiddel)
• Eind 19de eeuw: cilinders met gassen (samengeperste lucht, zuurstof en lachgas)
• Begin 1900 eeuw: ‘anesthesie’ toestel
1914-1918: WOI – de opkomst van de anesthesieverpleegkundige
• Endotracheale intubatie: waarmee de luchtweg definitief beschermd en vrij was
• Intraveneuze toegang + barbituraten
• Spierverslapping
WOII
• Eerste anesthesioloog in NL
• 1983: Larynxmasker
• 2008: Sugammadex > spierverslappers ongedaan maken
We hoeven de jaartallen niet te kennen, maar in grote lijnen wel de volgorde weten.
Ether was bijvoorbeeld eerder dan sugammadex.
✓ De student kan beschrijven hoe het beroep van anesthesiemedewerker zich ontwikkeld
heeft tot wat het nu is
• Tot 1970 verpleegkundige met ZH-opleiding
• Rond 1970: opleiding tot AM
• 1983 NVAM
• 2008: HBO opleiding tot AM
Belangrijk voor AM
• NVAM
- Visie
- Beroepsprofiel
• CZO: College voor ZorgOpleidingen
• Wet BIG: niet als AM/OA opzich
,Carrièremogelijkheden
• Sedatie Praktijk Specialist (SPS)
• Nurse Practioner (NP)/Physician assistent (PA)
• Pre Operatieve Screening (POS)
• Acute Pijn service (APS)
• Management
• Onderwijs
• Masters (GNK)
• Overstap IC, SEH, ambulance etc.
• Traumaopvang, defensie, buitenland
De toediening van narcose was aanvankelijk een competentie van iedere arts, huisarts of
arts-assistent. Er bestond geen specialisme anesthesie of anesthesiologie.
Regels:
1. iedere narcotiserende moet zich uitsluitend met de narcose bezighouden.
2. de narcotiserende voert de narcose zonder onderbreking van begin tot eind uit. Hij
verlaat de patiënt pas wanneer deze weer bij bewustzijn is. Eventueel begeleidt hij de
patiënt op de ziekenzaal.
3. onder geen voorwaarde is het toegestaan een eenmaal begonnen narcose over te dragen
aan een tweede arts; de verantwoordelijkheid voor de narcose berust uitsluitend bij
degene die begonnen is.
✓ De student kan de basisprincipes beschrijven van wat anesthesie inhoudt en wat daar bij
komt kijken
Anesthesioloog
• Arts + 5 jaar specialisatie
• 4j anesthesie + 1j IC
• Altijd eindverantwoordelijk en supervisor
Wat is anaesthesie?
• An = geen
• Aesthesie = gewaarwording
“Proces om de waarneming van pijn en andere negatieve gevoelens te blokkeren”.
Vormen van anesthesie
• Algehele anesthesie
• Anestheticum; slaapmiddel, buiten bewustzijn
- Dampvormige anesthetica
- Intraveneuze hypnotica (Propofol)
• Analgetica (Sufenta, Fentanyl): pijnbestrijding (opioïden)
• Relaxantia: spierverslappers (o.a. buikoperaties/bij intuberen met tube)
• Overig
- Anti-emetica: tegen misselijkheid
• Regionale anesthesie
- Spinale/epidurale anesthesie
- Perifere zenuwblokkade
• Lokale anesthesie: verdoving
, Anesthesie
• Preoperatieve screening: hoe gezond? Gewicht etc.
• Holding/premedicatie: wachtruimte OK; klaarmaken
• Inleiding: inslapen, ruggenprik
• Onderhoud: kijken naar beademing en onder narcose houden
• Uitleiding: wakker maken, detuberen
• Recovery/uitslaapkamer/verkoever
Les 3 Standaard monitoring
➢ H13 uit: Basisboek anesthesiologische zorg en technieken.
➢ H12.1.1 en 12.2.1 uit: Klinische anesthesiologie.
➢ H 4 t/m 4.3.2 (alleen NIBD) en 4.4.1 uit: Leerboek anesthesiologie.
➢ H1.2 en 1 uit:
http://www.okcompleet.info/Menu_Item_Modules/Modules_files/PZT_Hemd1_images
/PZT-Hemodynamiek_ECG_en_invasieve_bloeddrukmetingen.pdf
✓ De student kan beschrijven op welke wijze hij de patiënt kan bewaken zonder apparatuur
Bewustzijn
• Aan/afwezigheid van reflexen (ooglid, glottis, hoesten, braken);
• Bewegingen en/of de stand van de ogen;
• Grootte van de pupillen;
• Reacties van de pupillen;
• Reacties van de patiënt (mimiek, bewegingen);
• Bewegingen en stand van de ogen
Tijdens het inleiden van een algehele anesthesie zijn de ogen van de patiënt voortdurend in
beweging tot de bewusteloosheid voldoende diep is (stadium 3). De ogen nemen dan de
middenstand weer in.
• Pupilreacties
De pupillen worden eerst wijd, daarna nauwer en reageren minder op invallend licht.
Wanneer de pupillen wijd en lichtstijf zijn, is er een ernstig zuurstofgebrek in de hersenen.
Op licht reagerende wijde pupillen geven aan dat de bewusteloosheid minder diep is
geworden. Pupillen ter grootte van een speldenprik (‘pinpoints’) kunnen duiden op een
overdosering van analgetica.
• Reflexen
Wanneer de bewusteloosheid voldoende diep is (stadium 3-2/3-3), zullen de belangrijkste
reflexen voldoende zijn onderdrukt. Of een patiënt voldoende diep bewusteloos is, kan
worden vastgesteld aan de hand van de ooglidreflex. Wanneer deze afwezig is, is de
bewusteloosheid voldoende diep. Wanneer de bewusteloosheid minder diep wordt of nog
niet diep genoeg is (tijdens de in- of uitleiding van de anesthesie bijvoorbeeld), kunnen er
reflexen optreden die aanleiding kunnen geven tot levensbedreigende complicaties.