College 1 – Hoofdstuk 1 & 2 (m.u.v. 2.5 & 2.6)
Algemeen bestuursrecht
= centrale onderwerpen en leerstukken (o.a. bevoegdheden van
bestuursorganen, besluiten, procedures, handhaving. Met name in de
Awb).
Bijzonder bestuursrecht
= aparte onderdelen/beleidsterreinen (bijv. omgevingsrecht,
vreemdelingenrecht, sociale zekerheidsrecht, financieel bestuursrecht,
openbare orde en veiligheid. Met name in aparte wetten bijv. de
Vreemdelingenwet, Wet milieubeheer).
Bijzonder bestuursrecht gaat boven algemeen bestuursrecht!
De Awb (art. 107 Gw)
Van algemeen naar bijzonder
11 hoofdstukken
Zorg dat je bekend raakt met de structuur van de Awb! Blz. 3277
De Awb geeft richting aan andere wetgeving op 4 manieren
Dwingend recht: afwijking hiervan in lagere regelgeving is niet
toegestaan (afwijking in andere wifz wel maar niet wenselijk) (bv.
6:7 Awb)
Regelend recht: wenselijke hoofdregel in de Awb, afwijking in
lagere regelgeving is toegestaan (bv. 4:1 Awb) (tegenover gestelde
van dwingend)
Aanvullend recht: regel staat in beginsel in andere wet, zo niet
dan geldt de Awb (bv. 4:13 Awb) (regels gelden als er niks is
afgesproken)
Facultatief recht: regelgevers en bestuursorganen hebben de
bevoegdheid een regel van toepassing te verklaren (een artikel in de
Awb zegt dat een orgaan het ‘mag’ doen, maar het hoeft niet) (bv.
3:10 Awb)
Legaliteitsbeginsel
= de overheid mag burgers iets verbieden of gebieden, doch uitsluitend
voor zover de wet dit uitdrukkelijk toegestaan
een verbod/gebod mag in lagere regelgeving, mits er uiteindelijk een
grondslag in een wet in formele zin is.
Specialiteitsbeginsel
= het bestuur mag bij het gebruik van een bevoegdheid slechts het belang
behartigen waarvoor die regeling is vastgesteld (bv. Drankvergunning
weigeren als milieu niet wordt beschermt mag niet, heeft er niks mee
temaken)
Hierarchische opbouw normenstelsel
, = lagere regelgeving mag niet in strijd komen met hogere regelgeving.
Verdragen statuut grondwet wet in formele zin lagere regelingen/
verordeningen
Gelede normstelling: normstelling op meer niveaus tegelijk
Horizontaal: verschillende wetten/onderwerpen die samenhangen.
blz. 20 boek (wet in formele zin wet in formele zin)
Verticaal: in een wet in formele zin staan regels over bv. milieu en
die worden verder uitgewerkt in lagere regelgeving (bv. een Awb).
(wet in formele zin awb)
College 2 – Hoofdstuk 3 & 6.3.2
Privaat bestuur
= de besturen van private instellingen zoals de NV, BV, vereniging en
stichting.
Openbaar bestuur
Instanties die de samenleving besturen
Op diverse niveau’s: internationaal, nationaal, centraal, decentraal
Organen beschikken over publiekrechtelijke bevoegdheden
Maakt deel uit van ‘de overheid’ samen met de wetgever en de
rechter
Openbare lichamen
Publiekrechtelijke rechtspersoon (Art. 134 Gw)
Ingesteld bij de wet.
Aan besturen van openbare lichamen kan verordenende bevoegdheid
worden verleend.
Bijv. de staat, de provincies, de gemeenten, BES, en functionele openbare
lichamen.
Openbare lichamen hebben organen (zonder rechtspersoonlijkheid).
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
De wet laat bevoegdheden over of kent deze toe aan provincies,
gemeenten etc.
Centraal openbaar lichaam: de staat.
Decentrale openbare lichamen: gemeenten, provincies,
waterschappen, de SER.
Decentralisatiegedachte: wat op een lager niveau goed gedaan kan
worden moet niet op een hoger niveau worden gedaan.
Publiekrechtelijke rechtspersonen
Rechtspersoonlijkheid toegekend krachtens de wet
Art. 2:1 BW (blz. 3269 publiekrecht bundel)
Vermogensrechtelijke handelingen (art. 2:5 BW)
Elk openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid
niet elke publiekrechtelijke rechtspersoon is een openbaar lichaam
bestuursorganen hebben geen rechtspersoonlijkheid