Week 1-3: wat is ontwikkelingspsychologie?
Week 4-6: de 3 veelvoorkomende stoornissen in de jeugdpsychologie.
Week 7: hoe kijken we als samenleving naar mensen met een handicap?
Les 1
Ontwikkelingspsychologie: de psychologie van de ontwikkeling van de mens, van de
geboorte tot aan de ouderdom, maar met accent op de jaren tot volwassenheid.
Levensfasen.
Invloed van opvoeding of levenservaringen op individu.
Invloed van culturele of etnische verschillen.
Universele overeenkomsten.
Ontwikkelfasen en stabiele fasen.
Onderzoek naar kinderen is onder te verdelen in 4 centrale thema’s of benaderingen:
Cognitieve ontwikkeling.
Sociale/sociaal-emotionele ontwikkeling.
Persoonlijkheidsontwikkeling.
Morele ontwikkeling (geweten, weten wat wel en niet mag en zelf ontdekken).
Ontwikkelingspsychologen verdelen kindertijd en adolescentie meestal in:
De prenatale periode (van conceptie tot geboorte).
De baby- en peutertijd (van geboorte tot drie jaar).
De kleurtijd (van drie tot zes jaar).
De basisschooltijd (van zes tot twaalf jaar).
De adolescentie (van twaalf tot twintig jaar).
Vroegere denkbeelden: geen aparte behandeling voor het kind.
Middeleeuwen: kinderen hoef je niet apart te benaderen, heeft soms wel extra
bescherming nodig.
Reformatie: kinderen worden in zonde geboren en moeten geciviliseerd (beschaafd)
worden. Nadruk op discipline.
Verlichting: denk aan tabula rasa. Ontwikkeling is continue, nurture is bepalend.
,Vanaf 20e eeuw: opkomst kinder- en jeugdpsychiatrie:
Een kind kan systematisch bestudeerd worden.
Kind is in ontwikkeling en daarbij afhankelijk van omgeving.
Ontwikkeling kan verstoord raken.
Veel verschillen met volwassene zoals in communicatie.
Cohort: groep die rond dezelfde tijd op dezelfde plek is.
Wanneer een cohort allemaal dezelfde situatie mee maakt (denk aan oorlog), dan is er
sprake van een cohorteffect.
Normatieve gebeurtenis: ongeveer allemaal op dezelfde tijd iets doen (denk aan studeren).
Niet-normatieve gebeurtenis: beïnvloed je leven op een unieke wijze (denk aan een reis die
je alleen gaat doen).
Belang kennis van ontwikkelingspsychologie voor verpleegkundigen:
Verschillende doelgroepen.
Verschil tussen gezond en afwijkend.
Vergroot inlevingsvermogen.
Uitganspunten cognitieve ontwikkelingsmodel (Piaget):
Gedrag weerspiegelt denk- en kennisniveau, afhankelijk van de leeftijd.
Leren is een interactief proces: al doende (en door rijping) worden cognitieve schema’s
gevormd. Deze schema’s worden geleidelijk gevormd.
Afstand, materiaaleigenschappen (fysische realiteit).
Veiligheid, vriendschap (sociale realiteit).
Verdriet, woede (emotionele realiteit).
Functie van intelligentie:
Organiseren van schema’s.
Adaptatie (aanpassen aan de omgeving), door:
- Assimilatie: waargenomen wordt met bestaand begrip geïnterpreteerd.
- Accommodatie: het uitbreiden van schema’s. Accommodatie is steeds nodig, om
schema’s verder uit te breiden. Dit geldt voor alle levensfasen.
, Denkontwikkeling verloopt fasegewijs:
Sensomotorische fase (0-2 jaar).
Denken ontstaat door doen. Taalontwikkeling en intelligentieontwikkeling ontstaat in de
sensomotorische fase.
Pre-operationele fase (2-6 jaar).
Snelle taalontwikkeling, complexere handelingen en rijke fantasie. Egocentrische
waarneming (verwachting dat anderen zien wat de peuter zelf ziet) stijgt en neemt ook weer
af.
Concreet-operationele fase (6-12 jaar).
Terugredeneren wordt mogelijk (reversibiliteit). Cognitief egocentrisme verdwijnt. Taal,
symbolen, logisch denken en rekenen wordt verder ontwikkeld. Nog afhankelijk wat
zintuiglijk aanwezig is. Animisme: leven toekennen aan dode dingen.
Formeel-operationele fase (12 jaar en verder).
Basis van wetenschappelijk, abstract en logischer denken mogelijk. Deze fase hoort bij de
westerse (rationele en onderwijs-gerichte) fase.
Elke fase heeft typerende kenmerken. Fasen kunnen niet worden overgeslagen.
Leeftijdsgrenzen per fase kunnen variëren. Verloop van proces is universeel (volgens Piaget).
Aannames van Piaget:
Kinderen zijn actieve leerlingen.
Door ervaringen in hun omgeving creëren zij kennis.
Kinderen leren door assimilatie en accommodatie.
Equilibratie: kinderen willen het liefst dat alles in evenwicht is.
Voor leren is interactie nodig met fysische en sociale invloeden.
Ontwikkeling verloopt via stadia.