Receptoren (of sensoren) liggen meestal in de zintuigen. Ze ontvangen en vertalen de prikkel in
impulsen (elektrische energie) zodat ze door centra in de hersenschors verwerkt kunnen worden.
Een toenemende prikkelsterkte betekent meer impulsen per tijdseenheid (en níet een toename van
de sterkte van de elektriciteit van de impuls). Er zijn vier typen receptoren:
- Chemische receptoren: ze zijn gevoelig voor verandering van de chemische samenstelling
rondom cellen. Chemische prikkels worden veroorzaakt door o.a. reukstoffen, smaakstoffen,
CO2, O2 en zuren.
- Mechanische receptoren: ze worden geprikkeld door een verandering van de eigen celvorm,
onder invloed van mechanische krachten (druk, trillingen enz.).
- Temperatuurreceptoren: ze registreren temperatuurveranderingen. In de huid heb je
warmte- en koudezintuigen. In het centraal zenuwstelsel worden de receptoren geprikkeld
door temperatuurveranderingen van het bloed.
- Lichtreceptoren (fotosensoren): ze hebben licht als prikkel. Ze komen alleen voor in je ogen.
De adequate prikkel is de prikkel waarvoor een zintuig gespecialiseerd is.
- De neus (reukzintuig): ruiken
- De oren (gehoorzintuig + evenwichtszintuig): horen + stand van hoofd en lichaam handhaven
- De tong (smaak- en tastzintuig): proeven, tast, warmte/koude
- De huid (gevoelszintuig): huidgevoel (druk, tast, warmte/koude, pijn enz.)
- De ogen (gezichtszintuig): zien
Boven in de linker en rechter neusholte ligt het reukslijmvlies en het bevat chemische receptoren.
De zintuigcellen lopen naar de reukzenuw in de schedelholte. Stoffen in de ingeademde lucht lossen
op in het slijm van het reukslijmvlies. Vervolgens gaan ze een chemische verbinding aan met de
trilharen van de zintuigcellen. Dit vormt een prikkel.
Het oor bevat mechanische receptoren die geluidstrillingen waarnemen en andere mechanische
receptoren die bewegingen van het hoofd waarnemen. Het buitenoor, bestaande uit de oorschelp,
de uitwendige gehoorgang en het trommelvlies, vangt de prikkels op. Het middenoor is een holte
(trommelholte) en bevat de hamer, aambeeld en stijgbeugel. De trilling van het trommelvlies brengt
ze achtereenvolgens in trilling. Zeer hard geluid wordt een beetje gedempt door een spiertje aan het
trommelvlies. De trommelholte is verbonden met de buis van Eustachius, die uitmondt in de
keelholte en ervoor zorgt dat de druk in het middenoor gelijk is aan de buitendruk.
De receptoren bevinden zich in het slakkenhuis in het binnenoor. Deze staat met een vlies in contact
met het middenoor. Het slakkenhuis is gevuld met vocht, dat de trillingen van de zintuigcellen
geleidt. Daar worden de trillingen omgezet in impulsen en via de gehoorzenuw aan het centrale
zenuwstelsel doorgegeven.
In het binnenoor zit ook het evenwichtszintuig. De receptoren liggen in de drie halvecirkelvormige
kanalen, die gevuld zijn met vocht en er liggen op bepaalde plaatsen kristallen in (gehoorsteentjes,
otolieten). Wanneer de stand van het hoofd verandert, bewegen de otolieten die de sensoren
prikkelen.
Proeven gebeurt in de smaakknoppen, smaakzintuigcellen (chemische receptoren) omgeven door
steuncellen. Ze liggen meestal in concentraties bij elkaar (smaakpapillen) en worden geprikkeld door
stoffen die in de slijmlaag in je mond oplossen. De tong kan vijf smaken proeven: zout, zoet, bitter,
zuur en umami. Elke smaakpapil kan alle smaken waarnemen. Het proeven kan beïnvloed worden
door combinaties van voedingsstoffen, zoals iets zuurs dat minder zuur wordt door er suiker aan toe
te voegen. Ook het ruiken van stoffen en de druk-, tast- en temperatuursensoren spelen een
belangrijke rol.