Weekopdracht 1 – Staat, overheid en constitutie
Open vragen
Vraag 1
De kenmerken van een staat zijn: een gemeenschap van mensen, die leven op
een bepaald grondgebied en waarover gezag wordt uitgeoefend door een
overheid die over dwangmiddelen beschikt. De EU heeft een gemeenschap van
mensen, namelijk de Europese bevolking. Tevens is dit op een bepaald
grondgebied, namelijk Europa. Echter is er geen gezaghebbende overheid die zijn
macht uitoefent over de EU.
- Bevolking (gemeenschap)
- Grondgebied
- Gezag door een gelegitimeerd gezag
- Erkenning
Vraag 2
a. Een of meer organen zijn binnen een staat bevoegd om dwang uit te
oefenen. Die organen zijn dan met gezag bekleed. Gezag is niet veel
waard indien de overheid geen dwangmiddelen heeft (p.4. Belinfante).
b. Het spanningsveld omtrent de vrijheid van een individu. Door het
handhaven van de dwanguitoefening, worden er beperkingen gesteld aan
de vrijheid van het individu.
c. De theorie van het contrat social verenigt gezag en vrijheid, omdat het
gezag uit de vrijheid is afgeleid.
d. We kennen een staatsmonopolie op geweld. Alleen de staat mag geweld
instellen en geweld gebruiken. Om zo de hoogste macht te hebben.
e. Zij zijn er om de mensen te beschermen. Indien er mensen worden
overvallen is aan hun de taak om de mensen te beveiligen. Indien zij
wapens tot hun beschikking hebben, kunnen zij de overvallers op afstand
houden, om zo de mensen tegen de overvallers te beschermen.
Vraag 3
a. Democratie is een staatsvorm die de gelijkwaardigheid van mensen als
uitgangspunt neemt, zowel wat betreft hun invloed op het staatsbestuur
als wat betreft hun bescherming tegen de staat. Materiële benadering van
het democratiebegrip – het legaliteitsvereiste – er moet ook nog controle
zijn (checks and balances) (p. 11 t/m 14).
b. Grondrechten, onafhankelijke rechtspraak, machtenscheiding,
legaliteitsbeginsel
c. Er gold een gedeeltelijke machtenscheiding, ook zijn er grondrechten
opgenomen.
d. Vrijheid van godsdienst, de grondrechten. De persoonlijke levenssfeer,
staatsvrije sfeer (grondrechten). Democratiebeginsel.
Vraag 4
a. Het Nederlandse staatsrecht kent geschreven bronnen. Geschreven
bronnen zijn onder andere de Grondwet, het Statuut, Verdragen, wetten in
formele zin en lagere wetgeving en Reglementen van orde. Ook kent het
Nederlandse staatsrecht ongeschreven bronnen, zoals rechtsbeginsel of
gewoonterecht. Het Nederlandse staatsrecht maakt ook gebruik van
jurisprudentie. Organieke wetten, wet in formele zin, uitvoering geven aan
een deel van de Grondwet.
b. Grondwet heeft hogere positie dan andere wetten. Op de manier waarop
de Grondwet gewijzigd moet worden (twee lezingen). De aard van de
Open vragen
Vraag 1
De kenmerken van een staat zijn: een gemeenschap van mensen, die leven op
een bepaald grondgebied en waarover gezag wordt uitgeoefend door een
overheid die over dwangmiddelen beschikt. De EU heeft een gemeenschap van
mensen, namelijk de Europese bevolking. Tevens is dit op een bepaald
grondgebied, namelijk Europa. Echter is er geen gezaghebbende overheid die zijn
macht uitoefent over de EU.
- Bevolking (gemeenschap)
- Grondgebied
- Gezag door een gelegitimeerd gezag
- Erkenning
Vraag 2
a. Een of meer organen zijn binnen een staat bevoegd om dwang uit te
oefenen. Die organen zijn dan met gezag bekleed. Gezag is niet veel
waard indien de overheid geen dwangmiddelen heeft (p.4. Belinfante).
b. Het spanningsveld omtrent de vrijheid van een individu. Door het
handhaven van de dwanguitoefening, worden er beperkingen gesteld aan
de vrijheid van het individu.
c. De theorie van het contrat social verenigt gezag en vrijheid, omdat het
gezag uit de vrijheid is afgeleid.
d. We kennen een staatsmonopolie op geweld. Alleen de staat mag geweld
instellen en geweld gebruiken. Om zo de hoogste macht te hebben.
e. Zij zijn er om de mensen te beschermen. Indien er mensen worden
overvallen is aan hun de taak om de mensen te beveiligen. Indien zij
wapens tot hun beschikking hebben, kunnen zij de overvallers op afstand
houden, om zo de mensen tegen de overvallers te beschermen.
Vraag 3
a. Democratie is een staatsvorm die de gelijkwaardigheid van mensen als
uitgangspunt neemt, zowel wat betreft hun invloed op het staatsbestuur
als wat betreft hun bescherming tegen de staat. Materiële benadering van
het democratiebegrip – het legaliteitsvereiste – er moet ook nog controle
zijn (checks and balances) (p. 11 t/m 14).
b. Grondrechten, onafhankelijke rechtspraak, machtenscheiding,
legaliteitsbeginsel
c. Er gold een gedeeltelijke machtenscheiding, ook zijn er grondrechten
opgenomen.
d. Vrijheid van godsdienst, de grondrechten. De persoonlijke levenssfeer,
staatsvrije sfeer (grondrechten). Democratiebeginsel.
Vraag 4
a. Het Nederlandse staatsrecht kent geschreven bronnen. Geschreven
bronnen zijn onder andere de Grondwet, het Statuut, Verdragen, wetten in
formele zin en lagere wetgeving en Reglementen van orde. Ook kent het
Nederlandse staatsrecht ongeschreven bronnen, zoals rechtsbeginsel of
gewoonterecht. Het Nederlandse staatsrecht maakt ook gebruik van
jurisprudentie. Organieke wetten, wet in formele zin, uitvoering geven aan
een deel van de Grondwet.
b. Grondwet heeft hogere positie dan andere wetten. Op de manier waarop
de Grondwet gewijzigd moet worden (twee lezingen). De aard van de