1.1
Organisatiekunde: een interdisciplinaire wetenschap die zich bezighoudt met hem bestuderen van
het gedrag van organisates alsmede de factoren die dit gedrag bepalen en de wijze waarop
organisates het meest doeltrefend bestuurd keunnen worden.
- Descriptief aspect: dit is een beschrijving van het gedrag van organisatess met de moteven
en gevolgen.
- Prescriptief aspect: dit is een advies over te volgen handelwijze en organisate-inrichtngen.
Pragmatiscce instelling: dat het belang van een methodologisch juiste onderbouwing en
bewijsvoering minder belangrijke wordt geacht dan de betekeenis van de praketjke.
Interdisciplinariteit: er wordt bedoeld dat de organisatekeunde veel elementen bevat die afomstg
zijn uit andere wetenschappen.
Interdisciplinaire aanpake gaat nog een stap verder. Dus dat de verschillende bijdragen naar hun
specifekee belang worden afgewogen en worden gebruiket voor de ontwikekeeling van een nieuwe
benaderings waarbij het onderwerp in zijn totaliteit wordt beschouwd.
Multidisciplinaire aanpake: de oude disciplines keomen herkeenbaar naar voren.
Ambitieus aanpake: er wordt voortdurend gestreefd. Een ideaalbeeld.
Besturing: poging tot gerichte beïnvloeding. Het richtng geven aan de processen die in een
organisate plaatsvinden. Die richtng wijst naar een vooraf ingesteld doel.
Doeltreffendceid of effectiviteit: mate waarin de besturing slaagt.
1.2
In Nederland is organisatekeunde als afstudeerrichtng aan de Technische Hogescholen keort na de
Tweede Wereldoorlog geïntroduceerd. Het vake heete toen bedrijfsorganisatie en was sterke
technisch georiënteerd. In de jaren zestg en zeventg van de vorige eeuw is de organisatiekunde
zoals we die nu keennen in Nederland ontstaan. Andere wetenschappen werden erin betrokekeens zoals
de bedrijfseconomies logistekes de gedragswetenschappen en de juridische wetenschap. In die tjd
werd ooke het begrip interdisciplinariteit geïntroduceerd.
1.3
Belangrijkee handelsbedrijven:
- Deense Oost-Indische Compagnie (1614)
- Nederlandse West-Indische Compagnie (1621)
- Franse West-Indische Compagnie (1664)
- Royal Afrikeaanse Compagnie (1663)
- Hudson’s Bay Compagnie (1670)
1.4
In de volgende paragrafen zullen de denkerichtngen en persoonlijkeheden de revue passerens die
(veel) invloed hebben gehad op de ontwikekeeling van het organisatekeundig denkeen.
, 1.5
De periode voor de industriele revolute (400 v. chr. – 1900 na chr.)
Italiaan Niccolo Machiavelli (1469 – 1527) heef een boeke II Principe (de vorst) geschreven. Hij geef
een tal richtlijnen die vorstens maar ooke andere leiderss van nut keunnen zijn. Ze zijn vooral gericht op
het behoud van macht en de uitbreiding ervan. Ze zijn sterke opportunistsch van aards gebaseerd op
puur eigenbelang en het gewetenloos gebruikemakeen van de mogelijkeheden die de situate biedt. Het
boeke is de neerslag van zijn ervaring als regeringsadviseur en diplomaat in Florence.
Tot in de tweede helf van de 18e eeuw (1750) overheerste het mercantilisme als economische
denkerichtng. Deze stroming stelde dat het bezit aan geld en goud de enige welvaartsbron was.
Totdat Adam Smith (1723 – 1790) schreef in 1776 zijn boeke An inquiry into the nature and causes of
the welth of natons. Daar wordt in gesteld dat producteve arbeid de bron is van welvaart en dat
door arbeidsverdeling de productviteit van de arbeid sterke kean worden verhoogd.
1.6
Frederick Taylor en het scientfc management (ongeveer 1900)
Hij bood voor het eerst een systematsches samenhangende bedrijfskeundige benadering voor de
wijze waarop de producte georganiseerd zou moeten worden. Een bedrijfsleider moest zich niet
opstellen als slavendrijvers maar een bredere visie hebben op zijn taake in de organisate die bestaat
uit plannens coördinerens toezicht uitoefenen en het controleren van resultaten.
Hoofdpunten uit zijn theorie over het bestuur en beheer van organisates zijn:
- Wetenschappelijkee analyse van de werkezaamheden en het uitvoeren van bewegingsstudies.
- Een vergaande taakeverdeling en training van de arbeiderss waarbij elkee handeling en
beweging precies is voorgeschreven
- Een hechte en vriendschappelijkee samenwerkeing tussen leiding en arbeiders.
- De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijke voor het analyseren vanen het zoekeen naar
werkemethoden en het scheppen van productevoorwaarden; voorheen werd dit naar de
uitvoering geschoven.
- De juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selecte.
- Het invoeren van prestatebeloning met als doel te keomen tot lagere productekeosten.
Een arbeidsverdeling van de leiding van de producteafdeling of werkeplaats met 8 functes:
1. Tijd en keosten
2. Werkeinstructes
3. Bewerkeing en hun volgorde
4. Werkevoorbereiding en uitgife
5. Onderhoud
6. Kwaliteitscontrole
7. Technische leiding
8. Personeelsbeheer
= het acctbazenstelsels want iedere taake moet door een aparte functonaris worden uitgevoerd.
Invloed van Taylors ideeën:
- Productviteit ging omhoog
- Verhoging van efciency
Gevolgen:
- Monotone arbeid
- Beperkeing van vrijheid
- Verdwijnen van plezier in het werke
- Bestuur en beheer van producteafdeling over de hele industriële wereld verbeterde