WEEK 6 | INLEIDING STRAFRECHT
HOORCOLLEGE
Onderwerp: “Strafprocesrecht: De actieve rechter”
Het doel van het strafprocesrecht is om uit te vogelen wat er gebeurd is en vervolgens om daar een oordeel
over te geven. Dit zijn de twee fasen in het strafprocesrecht.
- Eerste fase: voorbereidende onderzoek (art. 132 Sv); gegevens verzamelen (W5) [OvJ]
- (1) controle (2) opsporing (3) vervolging
- Tweede fase: eindonderzoek; terechtzitting in het openbaar; beoordelen (W6) [rechter]
- (4) berechting
De berechting staat onder leiding van de actieve rechter.
Fasen eindonderzoek:
1. Onderzoek ter terechtzitting
2. Beraadslaging
3. Einduitspraak
1. Onderzoek ter terechtzitting
- Openbare zitting
- Geen jury, alleen professionele rechters
- Rechterlijke macht: rechters, officier van justitie en griffier
Titel VI, eerste afdeling Sv: “Onderzoek op de terechtzitting”
- Artikel 270: De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.
- Het doen uitroepen van de zaak doet de bode
Als de verdachte bij de hoorzitting niet komt opdagen, terwijl hij dit wel wist, dan is de verdachte in verstek.
De verdachte pleegt geen strafbaar feit als hij niet komt of als hij niets wil zeggen. Je hoeft niet aan je eigen
veroordeling mee te werken. Als getuige heb je niet dezelfde bescherming als een verdachte. Als getuige
moet je komen opdagen én moet je de waarheid spreken.
Vaste volgorde van onderzoek ter terechtzitting (art. 268 e.v.):
- Art. 270: uitroepen van de zaak door de bode
- Art. 273: voorzitter kijkt of de juiste persoon voor hem zit en wijst de verdachte op zijn zwijgplicht
- Officier van Justitie draagt zaak voor en vertelt waar de zaak over gaat
- Het onderzoek wordt door voorzitter geleid:
- inhoud van de zaak
- persoonlijke omstandigheden
- Officier van Justitie houdt requisitoir en bepaalt strafeis
- Voorzitter sluit rechtszitting
De rechter mag zich in zijn einduitspraak alleen beroepen op alles wat tussen het openen en sluiten van de
zaak is gezegd. De rest mag niet meegewogen worden in zijn oordeel.
2. Beraadslaging
- Een rechter in een eenvoudige kamer hoeft niet in beraad, na het sluiten van de zaak kan de rechter
direct zijn einduitspraak doen
- De rechters in een meervoudige kamer gaan wel degelijk in beraad: raadkameren
Uitgangspunten beraden:
- Beslissingen die worden gemaakt tijdens het beraadslagen, mogen alleen worden gebaseerd op wat
tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest.
- Als rechter ben je afhankelijk van wat de verdachte ten laste is gelegd. Op basis van die tenlastelegging
baseert de rechter zijn einduitspraak. De rechter beslist, de OvJ bepaalt waarover beslist moet worden.
- Als er beraad wordt, wordt dit gedaan op basis van het beslissingsmodel.
,Het beslissingsmodel begint met de vier formele voorvragen (art. 348 Sv):
- De rechtbank onderzoekt op den grondslag der telastlegging en;
- naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting;
1. de geldigheid der dagvaarding;
2. hare bevoegdheid tot kennisneming van het telastegelegde feit;
3. de ontvankelijkheid van den officier van justitie en;
4. of er redenen zijn voor schorsing der vervolging.
De gevolgen van de antwoorden op de vier formele vragen is te vinden in art. 349 Sv.
Het beslissingsmodel vervolgt met de vier materiële vragen (art. 350 Sv):
1. de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan;
2. welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; (kwalificatie-vraag)
3. indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is; (rechtvaardigingsgrond)
4. dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van
straf of maatregel, bij de wet bepaald. (schulduitsluitingsgrond)
Voorwaarden voor strafbaarheid
- Menselijke gedraging (1)
- Binnen een delictsomschrijving (2)
- Wederrechtelijk (2 of 3)
- Aan schuld te wijten (3)
- Aan voorwaarden voldaan: straf (4)
Bewijsstelsel:
- Artikel 338 Sv. : hoe iets bewezen kan worden en wanneer iets bewezen is
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden
aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige
bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.”
Bewijsminima (wat ervoor nodig is om de eerste materiële vraag positief te beantwoorden):
- Art. 344 lid 2 Sv. : wat nodig is om voldoende bewijs te hebben
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden
aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.”
- Art. 342 lid 2 Sv. : er is meer dan één bewijsstuk nodig
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend
worden aangenomen op de verklaring van één getuige.”
- Art. 341 lid 4 Sv. : uitzondering op de algemene regel dat één bewijsstuk onvoldoende is
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend
worden aangenomen op de opgaven van den verdachte.”
3. Einduitspraak
- Art. 349 Sv : formele vragen
- Art. 352 Sv : hoofdvragen
Einduitspraken van de hoofdvragen (art. 352 Sv.):
1. de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan;
AVAS
2. welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert;
OVAR
3. indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is;
OVAR
4. dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van
straf of maatregel, bij de wet bepaald.
VRIJSPRAAK
, WERKCOLLEGE
HET BESLISSINGSMODEL 348 Sv / 350 Sv
Formele vragen (artikel 348 Sv):
1. Is de dagvaarding geldig?
- Niet het geval? Dan is de dagvaarding nietig (349 lid 1 Sv)
- Waar de tenlastelegging / dagvaarding aan moet voldoen is beschreven in artikel 261 Sv
2. Is de rechter bevoegd?
- Niet het geval? Dan is de rechter onbevoegd (349 lid 1 Sv)
- Bevoegdheid rechter:
- absolute bevoegdheid: welke rechter is bevoegd?
- relatieve bevoegdheid: plaats rechtbank correct (art. 2 Sv)?
3. Is het OM / OvJ ontvankelijk?
- Niet het geval? Dan is het OM / OvJ niet ontvankelijk (249 lid 1 Sv)
- Bijvoorbeeld:
- Artikel 316 Sr: bij bijvoorbeeld diefstal tussen echtgenoten is strafvervolging uitgesloten
- Artikel 269 Sv: bij klachtdelicten moet er een klacht worden ingediend, behalve als het gaat om een
delict tegen een ambtenaar in functie. Bij vormverzuim is er een zodanige fout gemaakt bij de
opsporing of vervolging, dat het OM / OvJ ontvankelijk wordt verklaard
4. Redenen tot schorsing van de vervolging?
- Niet het geval? Dan is sprake van schorsing van de vervolging (349 lid 1 Sv)
- Bijvoorbeeld:
- Artikel 14
- Artikel 14a deze artikelen zijn allerlei redenen tot schorsing van de vervolging!
- Artikel 16
Materiële vragen (artikel 350 Sv):
1. Kan de tenlastelegging worden bewezen?
- Niet het geval? Dan geldt vrijspraak (352 lid 1 Sv)
- OvJ mag tenlastelegging wijzigen, mits het over hetzelfde feit gaat
2. Is het een strafbaar feit?
- Niet het geval? Dan geldt OVAR, ontslag van alle rechtsvervolging (352 lid 2 Sv)
3. Is de verdachte strafbaar?
- Niet het geval? Dan geldt OVAR, ontslag van alle rechtsvervolging (352 lid 2 Sv)
- Rechtvaardigingsgrond: tast wederrechtelijkheid aan
- Schulduitsluitingsgrond: tast verwijtbaarheid aan
4. Welke sanctie moet er opgelegd worden?
- Wat is de straf of maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd?
Als de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid niet in de wettekst staan en dus elementen zijn, dan
worden ze bij vraag 3 van de materiële vragen behandeld. Gevolg: OVAR.
Als de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid wel in de wettekst staan en dus bestanddelen zijn, dan
worden ze bij vraag 1 van de materiële vragen behandeld. Gevolg: vrijspraak.
Opzet in delictsomschrijving: oogmerk, opzettelijk, wetende dat, mishandeling, dwingen, vernielen,
verzetten en opruien
Culpa in de delictsomschrijving: redelijkerwijs moetende vermoeden, onachtzaamheid, gebrek aan de
nodige voorzorg / omzichtigheid
HOORCOLLEGE
Onderwerp: “Strafprocesrecht: De actieve rechter”
Het doel van het strafprocesrecht is om uit te vogelen wat er gebeurd is en vervolgens om daar een oordeel
over te geven. Dit zijn de twee fasen in het strafprocesrecht.
- Eerste fase: voorbereidende onderzoek (art. 132 Sv); gegevens verzamelen (W5) [OvJ]
- (1) controle (2) opsporing (3) vervolging
- Tweede fase: eindonderzoek; terechtzitting in het openbaar; beoordelen (W6) [rechter]
- (4) berechting
De berechting staat onder leiding van de actieve rechter.
Fasen eindonderzoek:
1. Onderzoek ter terechtzitting
2. Beraadslaging
3. Einduitspraak
1. Onderzoek ter terechtzitting
- Openbare zitting
- Geen jury, alleen professionele rechters
- Rechterlijke macht: rechters, officier van justitie en griffier
Titel VI, eerste afdeling Sv: “Onderzoek op de terechtzitting”
- Artikel 270: De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.
- Het doen uitroepen van de zaak doet de bode
Als de verdachte bij de hoorzitting niet komt opdagen, terwijl hij dit wel wist, dan is de verdachte in verstek.
De verdachte pleegt geen strafbaar feit als hij niet komt of als hij niets wil zeggen. Je hoeft niet aan je eigen
veroordeling mee te werken. Als getuige heb je niet dezelfde bescherming als een verdachte. Als getuige
moet je komen opdagen én moet je de waarheid spreken.
Vaste volgorde van onderzoek ter terechtzitting (art. 268 e.v.):
- Art. 270: uitroepen van de zaak door de bode
- Art. 273: voorzitter kijkt of de juiste persoon voor hem zit en wijst de verdachte op zijn zwijgplicht
- Officier van Justitie draagt zaak voor en vertelt waar de zaak over gaat
- Het onderzoek wordt door voorzitter geleid:
- inhoud van de zaak
- persoonlijke omstandigheden
- Officier van Justitie houdt requisitoir en bepaalt strafeis
- Voorzitter sluit rechtszitting
De rechter mag zich in zijn einduitspraak alleen beroepen op alles wat tussen het openen en sluiten van de
zaak is gezegd. De rest mag niet meegewogen worden in zijn oordeel.
2. Beraadslaging
- Een rechter in een eenvoudige kamer hoeft niet in beraad, na het sluiten van de zaak kan de rechter
direct zijn einduitspraak doen
- De rechters in een meervoudige kamer gaan wel degelijk in beraad: raadkameren
Uitgangspunten beraden:
- Beslissingen die worden gemaakt tijdens het beraadslagen, mogen alleen worden gebaseerd op wat
tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest.
- Als rechter ben je afhankelijk van wat de verdachte ten laste is gelegd. Op basis van die tenlastelegging
baseert de rechter zijn einduitspraak. De rechter beslist, de OvJ bepaalt waarover beslist moet worden.
- Als er beraad wordt, wordt dit gedaan op basis van het beslissingsmodel.
,Het beslissingsmodel begint met de vier formele voorvragen (art. 348 Sv):
- De rechtbank onderzoekt op den grondslag der telastlegging en;
- naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting;
1. de geldigheid der dagvaarding;
2. hare bevoegdheid tot kennisneming van het telastegelegde feit;
3. de ontvankelijkheid van den officier van justitie en;
4. of er redenen zijn voor schorsing der vervolging.
De gevolgen van de antwoorden op de vier formele vragen is te vinden in art. 349 Sv.
Het beslissingsmodel vervolgt met de vier materiële vragen (art. 350 Sv):
1. de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan;
2. welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; (kwalificatie-vraag)
3. indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is; (rechtvaardigingsgrond)
4. dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van
straf of maatregel, bij de wet bepaald. (schulduitsluitingsgrond)
Voorwaarden voor strafbaarheid
- Menselijke gedraging (1)
- Binnen een delictsomschrijving (2)
- Wederrechtelijk (2 of 3)
- Aan schuld te wijten (3)
- Aan voorwaarden voldaan: straf (4)
Bewijsstelsel:
- Artikel 338 Sv. : hoe iets bewezen kan worden en wanneer iets bewezen is
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden
aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige
bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.”
Bewijsminima (wat ervoor nodig is om de eerste materiële vraag positief te beantwoorden):
- Art. 344 lid 2 Sv. : wat nodig is om voldoende bewijs te hebben
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden
aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.”
- Art. 342 lid 2 Sv. : er is meer dan één bewijsstuk nodig
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend
worden aangenomen op de verklaring van één getuige.”
- Art. 341 lid 4 Sv. : uitzondering op de algemene regel dat één bewijsstuk onvoldoende is
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend
worden aangenomen op de opgaven van den verdachte.”
3. Einduitspraak
- Art. 349 Sv : formele vragen
- Art. 352 Sv : hoofdvragen
Einduitspraken van de hoofdvragen (art. 352 Sv.):
1. de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan;
AVAS
2. welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert;
OVAR
3. indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is;
OVAR
4. dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van
straf of maatregel, bij de wet bepaald.
VRIJSPRAAK
, WERKCOLLEGE
HET BESLISSINGSMODEL 348 Sv / 350 Sv
Formele vragen (artikel 348 Sv):
1. Is de dagvaarding geldig?
- Niet het geval? Dan is de dagvaarding nietig (349 lid 1 Sv)
- Waar de tenlastelegging / dagvaarding aan moet voldoen is beschreven in artikel 261 Sv
2. Is de rechter bevoegd?
- Niet het geval? Dan is de rechter onbevoegd (349 lid 1 Sv)
- Bevoegdheid rechter:
- absolute bevoegdheid: welke rechter is bevoegd?
- relatieve bevoegdheid: plaats rechtbank correct (art. 2 Sv)?
3. Is het OM / OvJ ontvankelijk?
- Niet het geval? Dan is het OM / OvJ niet ontvankelijk (249 lid 1 Sv)
- Bijvoorbeeld:
- Artikel 316 Sr: bij bijvoorbeeld diefstal tussen echtgenoten is strafvervolging uitgesloten
- Artikel 269 Sv: bij klachtdelicten moet er een klacht worden ingediend, behalve als het gaat om een
delict tegen een ambtenaar in functie. Bij vormverzuim is er een zodanige fout gemaakt bij de
opsporing of vervolging, dat het OM / OvJ ontvankelijk wordt verklaard
4. Redenen tot schorsing van de vervolging?
- Niet het geval? Dan is sprake van schorsing van de vervolging (349 lid 1 Sv)
- Bijvoorbeeld:
- Artikel 14
- Artikel 14a deze artikelen zijn allerlei redenen tot schorsing van de vervolging!
- Artikel 16
Materiële vragen (artikel 350 Sv):
1. Kan de tenlastelegging worden bewezen?
- Niet het geval? Dan geldt vrijspraak (352 lid 1 Sv)
- OvJ mag tenlastelegging wijzigen, mits het over hetzelfde feit gaat
2. Is het een strafbaar feit?
- Niet het geval? Dan geldt OVAR, ontslag van alle rechtsvervolging (352 lid 2 Sv)
3. Is de verdachte strafbaar?
- Niet het geval? Dan geldt OVAR, ontslag van alle rechtsvervolging (352 lid 2 Sv)
- Rechtvaardigingsgrond: tast wederrechtelijkheid aan
- Schulduitsluitingsgrond: tast verwijtbaarheid aan
4. Welke sanctie moet er opgelegd worden?
- Wat is de straf of maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd?
Als de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid niet in de wettekst staan en dus elementen zijn, dan
worden ze bij vraag 3 van de materiële vragen behandeld. Gevolg: OVAR.
Als de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid wel in de wettekst staan en dus bestanddelen zijn, dan
worden ze bij vraag 1 van de materiële vragen behandeld. Gevolg: vrijspraak.
Opzet in delictsomschrijving: oogmerk, opzettelijk, wetende dat, mishandeling, dwingen, vernielen,
verzetten en opruien
Culpa in de delictsomschrijving: redelijkerwijs moetende vermoeden, onachtzaamheid, gebrek aan de
nodige voorzorg / omzichtigheid