les 1:
Sociologie
Anna Sijm
SW1H
Begrippenlijst:
Sociologische perspectee:
Het specifeee gezichtspunt van de sociologie waaarmee in het leven en gedrag van individuen
algemene maatschappelijee patronen zichtbaar waorden.
Moderniteit:
Het sociale veranderingsproces dat in gang is gezet door de industrialisering.
Arbeidsverdeling:
Gespecialiseerde economische actviteiten.
Ratonalisering (van de samenleving::
Webers term voor de historische overgang van een traditonele naar een ratonele waijze van deneen.
Kapitalisme:
Een economische systeem waaarin de natuurlijee rijedommen en de middelen om goederen en
diensten te produceren in partculiere handen zijn.
Structureel eunctonalisme:
Een theorievormend eader waaarin de samenleving als complex systeem waordt gezien. De
samenwaereing tussen de verschillende delen van het systeem bevordert solidariteit en stabiliteit.
Confictsociologie:
Een theorievormend eader waaarin de samenleving als een arena van ongelijeheid waordt gezien, die
conficten en verandering veroorzaaet.
Symbolisch interactonisme:
Een deneeader waaarin de samenleving waordt opgevat als het resultaat van de interactes tussen
individuen.
Ratonele eeuzebenadering:
??
Positvistsche sociologie:
Het onderzoeeen van de samenleving op basis van het systematsch observeren van sociaal gedrag.
Interpretateve sociologie:
Een deneeader dat zich in haar onderzoee richt op de beteeenissen die mensen aan hun sociale
waereelijeheid toeeennen.
, Kritsche sociologie:
Een deneeader dat zich in haar onderzoee van de samenleving laat leiden door de noodzaae van
sociale verandering.
Begrippenlijst voor mij:
Sociale integrate:
Draait om het gevoel deel uit te maeen van een gemeenschap, verbonden door een gezamenlijee
identteit en gedeelde waaarden.
Marginaliteit:
Zich bevinden op de grens van twaee groepen oe samenlevingen met verschillende (sub:culturen.
Mondiaal:
Iets waat de hele waereld omvat
Sociologie
Anna Sijm
SW1H
Begrippenlijst:
Sociologische perspectee:
Het specifeee gezichtspunt van de sociologie waaarmee in het leven en gedrag van individuen
algemene maatschappelijee patronen zichtbaar waorden.
Moderniteit:
Het sociale veranderingsproces dat in gang is gezet door de industrialisering.
Arbeidsverdeling:
Gespecialiseerde economische actviteiten.
Ratonalisering (van de samenleving::
Webers term voor de historische overgang van een traditonele naar een ratonele waijze van deneen.
Kapitalisme:
Een economische systeem waaarin de natuurlijee rijedommen en de middelen om goederen en
diensten te produceren in partculiere handen zijn.
Structureel eunctonalisme:
Een theorievormend eader waaarin de samenleving als complex systeem waordt gezien. De
samenwaereing tussen de verschillende delen van het systeem bevordert solidariteit en stabiliteit.
Confictsociologie:
Een theorievormend eader waaarin de samenleving als een arena van ongelijeheid waordt gezien, die
conficten en verandering veroorzaaet.
Symbolisch interactonisme:
Een deneeader waaarin de samenleving waordt opgevat als het resultaat van de interactes tussen
individuen.
Ratonele eeuzebenadering:
??
Positvistsche sociologie:
Het onderzoeeen van de samenleving op basis van het systematsch observeren van sociaal gedrag.
Interpretateve sociologie:
Een deneeader dat zich in haar onderzoee richt op de beteeenissen die mensen aan hun sociale
waereelijeheid toeeennen.
, Kritsche sociologie:
Een deneeader dat zich in haar onderzoee van de samenleving laat leiden door de noodzaae van
sociale verandering.
Begrippenlijst voor mij:
Sociale integrate:
Draait om het gevoel deel uit te maeen van een gemeenschap, verbonden door een gezamenlijee
identteit en gedeelde waaarden.
Marginaliteit:
Zich bevinden op de grens van twaee groepen oe samenlevingen met verschillende (sub:culturen.
Mondiaal:
Iets waat de hele waereld omvat