Het is geschreven door ene Willem ‘die Madocke maecte’, maar wie dat
precies was is onbekend. De tweede schrijver zou Aernout.
Titelverklaring:
De titel slaat simpelweg op de hoofdpersoon van het verhaal, Reinaert.
Jaar van uitgave:
In de 13e eeuw, maar het is niet duidelijk wanneer het precies
geschreven is.
Proloog:
In de proloog stelt de schrijver zich voor, en zegt hij onder andere dat het
geen boek voor domme mensen is.
Perspectief:
Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van een alwetende
verteller, die boven de gebeurtenissen staat. Het verhaal is dus
auctoriaal. De schrijver spreekt het publiek ook regelmatig aan.
Bijvoorbeeld in vers 40: ‘Hoort nu hoe ic hier beghinne’. Ook geeft de
schrijver dikwijls commentaar op bepaalde gebeurtenissen, hij ironiseert
en hij wijst soms vooruit naar wat komt. Hij richt zich op een adellijk,
ontwikkeld publiek.
Samenvatting:
De leeuw Nobel houdt op pinksterdag hofdag en alle dieren zijn
aanwezig, behalve Reinaert. Deze had zoveel misdaan dat hij zich beter
niet onder de dieren kon vertonen. Slechts één dier had nog vertrouwen
in hem: zijn neef Grimbeert de das.
Vanwege de afwezigheid van Reinaert worden er beschuldigingen tegen
hem geuit. Als eerste komt Isengrijn de wolf aan het woord: hij zegt dat
R. zijn vrouw heeft verkracht en over zijn kinderen heeft geplast,
waardoor ze blind geworden zijn.
De tweede klacht is van het deftige hondje Cortoys, die vertelt dat R.
zijn enige worst gestolen had.
De derde beschuldiging is van Pancer de bever: R. heeft Cuwaert de
haas gedood. De doodstraf dreigt voor R., maar Grimbeert houdt een