10.1 De Sectoren van de Europese Economie
Bedrijven en overheden produceren om aan behoeften te voldoen, zoals voedsel, kleding en
onderdak. In de 20e eeuw is de landbouw- en industriële sector sterk afgenomen, ten gunste van de
dienstverlening. Dit heeft geleid tot wat vaak wordt genoemd als een post-industriële samenleving,
waarin de dienstverlenende sector dominant is.
De groei van de dienstverlening heeft verschillende oorzaken:
Na bevrediging van basisbehoeften richten consumenten zich meer op dienstverlenende sectoren.
Landen handelen veel met elkaar, en productie wordt vaak uitbesteed aan gebieden met lagere
kosten.
10.2 Fasen in Economische Groei en Innovatie
10.2.1 Groei van Productiefactoren
De langetermijneconomische groei van een land hangt af van de groei van de productiefactoren:
arbeid, kapitaal en natuur. Deze factoren kunnen zowel in kwantiteit als in kwaliteit toenemen.
Kwantitatieve groei betekent een jaarlijkse toename van arbeid, kapitaal en natuur, terwijl
kwalitatieve groei duidt op een toename van de productie per werknemer, vaak als gevolg van
technologische ontwikkelingen.
10.2.2 Rol van de Kapitaalcoëfficiënt en de Spaarquote
De kapitaalgoederenvoorraad speelt een cruciale rol in de economische groei. Groei is ondenkbaar
zonder nieuwe investeringen in machines en gebouwen. De kapitaalcoëfficiënt geeft aan hoeveel
kapitaalgoederen nodig zijn voor de productie van een eenheid eindproduct. Netto-investeringen
worden gefinancierd uit besparingen, die afhangen van de spaarquote en het BBP.
10.2.3 Fasen in de Economische Groei
Niet alle sectoren zijn evenveel afhankelijk van de internationalisering van de economie. Sectoren die
weinig te vrezen hebben van toenemende internationalisering worden de 'beschermde sector'
genoemd, terwijl sectoren die gevoelig zijn voor internationalisering de 'open sector' worden
genoemd.
Factorgedreven groei: Landen met lage inkomens groeien vaak factor gedreven, afhankelijk van
basisproductiefactoren zoals land, grondstoffen en ongeschoolde arbeid. Deze landen zijn gevoelig
voor conjuncturele schommelingen en grondstofprijzen.
Investeringengedreven groei: Naarmate economieën zich ontwikkelen, worden buitenlandse directe
investeringen de drijvende kracht achter de groei. Dit resulteert in integratie in de wereldwijde
economie en maakt landen gevoeliger voor financiële crises.
Innovatiegedreven groei: In dit stadium is technologie de motor achter groei. Innovatie gedijt in een
klimaat waar toeleveranciers, dienstverleners en universiteiten samenwerken in clusters.