Les 23: De patiënt met shock
benoemen wat de pathofysiologie van shock is;
benoemen welke vormen van shock er zijn;
de symptomen en parameters bij een patiënt met shock verklaren;
beargumenteren welke bewaking nodig is voor de deze patiëntcategorie;
benoemen welke verpleegkundige interventies van belang zijn bij een patiënt met
shock.
MARCH-protocol
M = Massive Bleeding
A = Airway
R = Respiration
C = Circulation
H = Hypothermia
Definitie van shock
‘Onvoldoende weefselperfusie op celniveau, leidend tot anaeroob metabolisme en verlies van
energieproductie voor de instandhouding van het leven’
Klassieke kenmerken van shock
Bleke, klamme zweterige huid
Tachycardie (= snelle hartslag >100 slagen per minuut)
Tachypneu (= snelle ademhaling >20 ademhalingen per minuut)
Apathie of stupor
Stupor = Stupor is een geestelijke hersentoestand waarbij sprake is van een sterke vermindering of
totale opheffing van het bewustzijn en de cognitieve functies. Dit gaat gepaard met onbeweeglijkheid
van het lichaam. Meestal is de persoon volledig bewegingsloos en reageert niet meer op de
buitenwereld.
Principe (wet) van Fick
- Inladen van zuurstof in de erytrocyten in de longen
- Aflevering van erytrocyten bij weefselcellen
- Uitladen van zuurstof uit de erytrocyten
Pathofysiologie van shock
Cardiovasculaire respons:
o Ventriculaire contractie en
ventriculaire relaxatie
o Preload en afterload
o MAP
o Cardiac output
Autonome respons
Preload = de voorbelasting van het hart
Afterload = weerstand waartegen het hart moet
pompen
Cardiac output = De hoeveelheid bloed die het
hart per minuut doorpompt noemen we de
cardiac output. HF x slagvolume. Slagvolume
±50 ml.
Ouderen en kinderen kunnen minder goed
compenseren.
benoemen wat de pathofysiologie van shock is;
benoemen welke vormen van shock er zijn;
de symptomen en parameters bij een patiënt met shock verklaren;
beargumenteren welke bewaking nodig is voor de deze patiëntcategorie;
benoemen welke verpleegkundige interventies van belang zijn bij een patiënt met
shock.
MARCH-protocol
M = Massive Bleeding
A = Airway
R = Respiration
C = Circulation
H = Hypothermia
Definitie van shock
‘Onvoldoende weefselperfusie op celniveau, leidend tot anaeroob metabolisme en verlies van
energieproductie voor de instandhouding van het leven’
Klassieke kenmerken van shock
Bleke, klamme zweterige huid
Tachycardie (= snelle hartslag >100 slagen per minuut)
Tachypneu (= snelle ademhaling >20 ademhalingen per minuut)
Apathie of stupor
Stupor = Stupor is een geestelijke hersentoestand waarbij sprake is van een sterke vermindering of
totale opheffing van het bewustzijn en de cognitieve functies. Dit gaat gepaard met onbeweeglijkheid
van het lichaam. Meestal is de persoon volledig bewegingsloos en reageert niet meer op de
buitenwereld.
Principe (wet) van Fick
- Inladen van zuurstof in de erytrocyten in de longen
- Aflevering van erytrocyten bij weefselcellen
- Uitladen van zuurstof uit de erytrocyten
Pathofysiologie van shock
Cardiovasculaire respons:
o Ventriculaire contractie en
ventriculaire relaxatie
o Preload en afterload
o MAP
o Cardiac output
Autonome respons
Preload = de voorbelasting van het hart
Afterload = weerstand waartegen het hart moet
pompen
Cardiac output = De hoeveelheid bloed die het
hart per minuut doorpompt noemen we de
cardiac output. HF x slagvolume. Slagvolume
±50 ml.
Ouderen en kinderen kunnen minder goed
compenseren.