NLT samenvatting hersenen
HOOFDSTUK 1
1.1
Geheugen = vermogen om informatie te onthouden
Metacognitie = nadenken over je eigen leermanier →De gedachten “Hoe moet
je leren?”
Learner report = reflectie op het verleden, hoe je leerproces in zijn werk ging en dit analyseren
1.3
Loci-methode → een aantal gegevens op volgorde wilt onthouden → je koppelt
een woord aan een voorwerp wat je kunt onthouden.
Vergeetcurve → het percentage onthouden informatie naar verloop van tijd.
3 stadia van het geheugen
1. verwerven van info → leren
2. bewaren van info → onthouden
3. oproepen van info → herinneren
HOOFDSTUK 2
2.1
input → black box → output (reactie)
receptor → conductor → effector
zintuig: hormoonstelsel, spier of klier, verzorgt
ontvangt zenuwstelsel of output
input allebei:
signaalverwerking
Input= een prikkel of stimulus (licht, geluid, aanraking, beweging)
Blackbox= verwerken van informatie
Output= reactie
Kunstmatige neurale netwerken = de hersenen bijvoorbeeld zo goed mogelijk nabootsen.
Zintuigen zetten prikkels om in signalen. Elk zintuig is gevoelig voor
één specifiek soort prikkel → ogen voor licht, huid voor aanraking etc.
Expliciete geheugen = geheugen waar moeite voor moet worden gedaan.
Impliciete geheugen = niet bewust iets waarnemen en onthouden.
Nature = genetisch/erfelijk
Nurture = training/oefenen
2.2
Vormen van leren
- imitatie (na-apen)
- Trial and Error → leren door proberen
, - Gewenning → na verloop van tijd niet meer op constante prikkels
reageren
- Inprenting → tijdens de gevoelige periode van kuikens, kunnen ze wat ze als eerst
zien na de geboorte inprenten als hun moeder/ouders.
- Inzichtelijk leren → iets oplossen door eerdere ervaringen
- Conditioneren
- Klassieke conditionering → hamster hoort koelkast open gaan en
produceert speeksel
- Operante conditionering → gedrag wordt beloond of bestraft
2.3
3 type geheugen
1. zintuiglijk geheugen → paar seconden
2. korte termijn- of werkgeheugen → minuten tot half uur →
- Kortetermijngeheugen > wissen het snelst uit, tenzij je het herhaalt.
- Werkgeheugen > de plek waar informatie uit alle richtingen verzamelt wordt voor
denkprocessen. Hier vandaan kan het naar het lange termijn geheugen gaan, als het
belangrijk is bijvoorbeeld.
3. langetermijngeheugen → uren, dagen tot jaren
Langetermijngeheugen
Declaratieve geheugen = het langetermijngeheugen dat we bewust kunnen raadplegen en
gebruiken
- episodisch geheugen→ zaken die een verbinding hebben met ervaring
van gebeurtenis
- semantisch geheugen → ‘kennis’ je weet niet wanneer maar wel wat
Procedurele geheugen →motorisch geheugen→ wordt tijdens fysieke
activiteiten gebruikt. Door veel te oefenen, kun je beter worden in het
uitvoeren.
HOOFDSTUK 3
3.4
CT-scan (computer tomografie)=
- Van alle hoeken wordt er een röntgenfoto gemaakt, dit
geeft een 3D-beeld.
- De patiënt ligt in een soort tunnel tijdens deze scan.
- De röntgenbron draait om de patiënt heen en stuurt
röntgenstraling door het lichaam heen.
- Bot absorbeert deze straling sterker dan zacht
weefsel. Daarom zie je botten op een röntgenfoto. Met
CT-scan kan je onderzoeken waar in de hersenen er
iets kapot is gegaan.
- Röntgenstraling heeft ook nadelen → kunnen
ongewenste chemische reacties veroorzaken en DNA beschadigen.
MRI-scan=
HOOFDSTUK 1
1.1
Geheugen = vermogen om informatie te onthouden
Metacognitie = nadenken over je eigen leermanier →De gedachten “Hoe moet
je leren?”
Learner report = reflectie op het verleden, hoe je leerproces in zijn werk ging en dit analyseren
1.3
Loci-methode → een aantal gegevens op volgorde wilt onthouden → je koppelt
een woord aan een voorwerp wat je kunt onthouden.
Vergeetcurve → het percentage onthouden informatie naar verloop van tijd.
3 stadia van het geheugen
1. verwerven van info → leren
2. bewaren van info → onthouden
3. oproepen van info → herinneren
HOOFDSTUK 2
2.1
input → black box → output (reactie)
receptor → conductor → effector
zintuig: hormoonstelsel, spier of klier, verzorgt
ontvangt zenuwstelsel of output
input allebei:
signaalverwerking
Input= een prikkel of stimulus (licht, geluid, aanraking, beweging)
Blackbox= verwerken van informatie
Output= reactie
Kunstmatige neurale netwerken = de hersenen bijvoorbeeld zo goed mogelijk nabootsen.
Zintuigen zetten prikkels om in signalen. Elk zintuig is gevoelig voor
één specifiek soort prikkel → ogen voor licht, huid voor aanraking etc.
Expliciete geheugen = geheugen waar moeite voor moet worden gedaan.
Impliciete geheugen = niet bewust iets waarnemen en onthouden.
Nature = genetisch/erfelijk
Nurture = training/oefenen
2.2
Vormen van leren
- imitatie (na-apen)
- Trial and Error → leren door proberen
, - Gewenning → na verloop van tijd niet meer op constante prikkels
reageren
- Inprenting → tijdens de gevoelige periode van kuikens, kunnen ze wat ze als eerst
zien na de geboorte inprenten als hun moeder/ouders.
- Inzichtelijk leren → iets oplossen door eerdere ervaringen
- Conditioneren
- Klassieke conditionering → hamster hoort koelkast open gaan en
produceert speeksel
- Operante conditionering → gedrag wordt beloond of bestraft
2.3
3 type geheugen
1. zintuiglijk geheugen → paar seconden
2. korte termijn- of werkgeheugen → minuten tot half uur →
- Kortetermijngeheugen > wissen het snelst uit, tenzij je het herhaalt.
- Werkgeheugen > de plek waar informatie uit alle richtingen verzamelt wordt voor
denkprocessen. Hier vandaan kan het naar het lange termijn geheugen gaan, als het
belangrijk is bijvoorbeeld.
3. langetermijngeheugen → uren, dagen tot jaren
Langetermijngeheugen
Declaratieve geheugen = het langetermijngeheugen dat we bewust kunnen raadplegen en
gebruiken
- episodisch geheugen→ zaken die een verbinding hebben met ervaring
van gebeurtenis
- semantisch geheugen → ‘kennis’ je weet niet wanneer maar wel wat
Procedurele geheugen →motorisch geheugen→ wordt tijdens fysieke
activiteiten gebruikt. Door veel te oefenen, kun je beter worden in het
uitvoeren.
HOOFDSTUK 3
3.4
CT-scan (computer tomografie)=
- Van alle hoeken wordt er een röntgenfoto gemaakt, dit
geeft een 3D-beeld.
- De patiënt ligt in een soort tunnel tijdens deze scan.
- De röntgenbron draait om de patiënt heen en stuurt
röntgenstraling door het lichaam heen.
- Bot absorbeert deze straling sterker dan zacht
weefsel. Daarom zie je botten op een röntgenfoto. Met
CT-scan kan je onderzoeken waar in de hersenen er
iets kapot is gegaan.
- Röntgenstraling heeft ook nadelen → kunnen
ongewenste chemische reacties veroorzaken en DNA beschadigen.
MRI-scan=