Bestuursrecht Reader
Bijeenkomst 9. Bestuurshandelen: Soorten
bestuurshandelingen – bevoegdheidsgrondslagen
Fluoridering, NJ 1973/386
Essentie
Vraag of de Waterleidingwet zich er tegen verzet dat de eigenaar van een waterleidingbedrijf een
fluorverbinding aan het drinkwater toevoegt teneinde deze via het bestaande waterleidingnet aan
de verbruikers te doen toekomen.
Samenvatting
De toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmede een geheel buiten de eigenlijke
drinkwatervoorziening gelegen doel te dienen is een maatregel van zó ingrijpende aard, dat,
zonder wettelijke grondslag, niet kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij
de vervulling van de hem in art. 4 lid 1 Waterleidingwet opgedragen taak de vrijheid heeft. Noch in
de tekst dezer wet noch in de wetsgeschiedenis is enige aanwijzing te vinden voor de stelling, dat
de wetgever de waterleidingbedrijven deze vrijheid heeft willen geven.
De gemeente Amsterdam nam het besluit om fluoride aan het drinkwater toe te voegen. Eisers
hebben hier bezwaar tegen. Zij voeren aan dat de gemeente een monopolie positie heeft in het
handelen van drinkwater. Bij Koninklijk Besluit werd de door de staatssecretaris verleende
toestemming (beschikking) vernietigd.
Overweging:“(...) dat de toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmee een geheel
buiten de eigenlijke drinkwatervoorziening gelegen doel te dienen en daarom een maatregel is van
zo ingrijpende aard, dat zonder wettelijke grondslag niet kan worden aangenomen dat een
waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in artikel 4 lid 1 van de Waterleidingwet
opgedragen taak de vrijheid geeft.”De Hoge Raad stelt dat hier sprake is van zo ingrijpend
handelen, dat er een wettelijke grondslag voor moet zijn. De Waterleidingwet voldoet hier echter
niet aan. In de tekst van de wet is geen aanwijzing te vinden voor de stelling dat
waterleidingbedrijven zo’n handeling uit mogen voeren. Ook zijn hier in de wetgeschiedenis geen
aanwijzingen voor te vinden.
Drinkwater is een van de eerste levensbehoeftes. Aangezien de gemeente Amsterdam een
monopolie positie bezit, wordt deze fluoridering door bijna heel Amsterdam verspreid. Volgens de
Hoge Raad worden bewoners dus praktisch gedwongen om het drinkwater met fluoride te
accepteren. De Hoge Raad vindt dit te ingrijpend en concludeert dat voor zo’n actie een wettelijke
grondslag is vereist.
Amsterdam /IKON, HR 27 maart 1987
De feiten
De gemeente Amsterdam heeft verschillende percelen in haar eigendom in erfpacht uitgegeven.
Eén van deze percelen wordt in erfpacht aan IKON uitgegeven. De bestemming van de percelen
is woningbouw, zonder toestemming van de gemeente heeft IKON kantoorruimtes gebouwd op
het perceel. Gedeputeerde Staten van Noord Holland hebben IKON bij beschikking wel
toestemming gegeven voor de kantoorruimtes. Hierop stapte de gemeente Amsterdam naar de
rechter. De rechtbank stelde de gemeente in het gelijk, in hoger beroep werd IKON in het gelijk
gesteld. Nu ligt het geschil voor de Hoge Raad.
,Rechtsvraag
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden door de gemeente Amsterdam bij het nemen van haar
beslissing?
Overweging
De Hoge Raad stelt dat het Hof juist geoordeeld heeft dat de overheid ook bij het uitoefenen van
bevoegdheden uit privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur (abbb’s) in acht moet nemen. Het gelijkheidsbeginsel is een abbb en moet derhalve in
acht genomen worden. Abbb’s hebben geen zwakkere werking in het privaatrecht dan in het
bestuursrecht.
De Hoge Raad was het niet eens met het oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel
geschonden was. Het Hof kwam tot dat oordeel doordat in het verleden eenzelfde vergunningen
als onderwerp van het geding in deze zaak gegeven werden terwijl die van IKON werd gewijzigd.
Het Hof miskent, aldus de Hoge Raad, dat het voorheen gevoerde beleid niet relevant meer is
aangezien het reeds gewijzigd was toen IKON toestemming tot bestemmingswijziging vroeg.Ook
is, anders dan het Hof oordeelde, in onderhavig geval geen sprake van een rechtens relevante
strijd met het gelijkheidsbeginsel op grond van de enkele omstandigheid dat de gemeente in een
op zichzelf staand geval zonder voldoende grond ten gunste van een ander dan Ikon een
uitzondering heeft gemaakt op haar vaste beleid, ook al zou die uitzondering niet zijn terug te
voeren op een vergissing aan de zijde van de gemeente.De Hoge Raad concludeert dat "in geval
een burger een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en dit beroep staaft met een opsomming
van gevallen die naar zijn mening aan het zijne gelijk zijn en door het overheidslichaam anders
zijn behandeld, het op de weg van het overheidslichaam ligt zich over een en ander uit te laten
en een eventuele ongelijke behandeling te verklaren."
Rechtsregel
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur hebben dezelfde werking het privaatrecht als in het
bestuursrecht.
Long Lin, ABRS 10 april 1995
Essentie
Verbod binnenvaren territoriale zee door zwaar beschadigd schip; besluit genomen ter
uitvoering van publiekrechtelijke taak; beschikking; sluiten garantieovereenkomst als
voorwaarde doet niet af aan beschikkingskarakter; belangenafweging tussen ernst van situatie
schip en mogelijke bedreiging voor kuststaat; garantie voor eventueel kostenverhaal; hoogte
garantie niet gemotiveerd.
Samenvatting
Het bestreden besluit is een beschikking in de zin van art. 2 Wet Arob. Enig als zodanig
aanwijsbaar publiekrechtelijk voorschrift ter uitvoering waarvan het besluit is genomen, is geen
vereiste om een beschikking in de zin van art. 2 aan te nemen. Naar door verweerder bij pleidooi
is gesteld, is de Staatbeheerder van de Nederlandse territoriale wateren. De Staat, en daarmee
verweerder, acht zich in dit verband verplicht ervoor zorg te dragen dat het vaarwater aan zijn
bestemming beantwoordt. Het vorenstaande betekent dat het besluit is genomen ter uitvoering
van verweerders publiekrechtelijke taak. Indien aan de toestemming tot binnenvaren vervolgens
de voorwaarde wordt verbonden dat een overeenkomst naar privaatrecht — zoals i.c. de
garantieverklaring — dient te worden gesloten, heeft dit niet het gevolg dat het besluit als
rechtshandeling naar burgerlijk recht moet worden gekwalificeerd. De Staat der Nederlanden en
daarmee verweerder ontleent de bevoegdheid tot het opleggen van een verbod in beginsel aan
de soevereiniteit van de Staat. Daartegenover staat echter dat verweerder op grond van het
volkenrecht niet zover mag gaan dat hij het voor een schip dat in nood verkeert en reparatie
, behoeft onmogelijk maakt om de territoriale zee binnen te varen. Er dient in een dergelijk geval
een afweging plaats te vinden tussen de ernst van de situatie waarin het schip zich bevindt en de
bedreiging die het schip kan vormen voor de kuststaat. Verweerder mag zich in dat geval
zekerheid verschaffen voor verhaal van de uit het binnenvaren van het schip voor de Staat
mogelijk voortvloeiende kosten. Aangezien die kosten primair zouden worden gedragen door de
Staat, lag het voor de hand een garantie te verlangen ten gunste van de Staat der Nederlanden.
Het bedrag waarvoor de garantie moet worden gegeven dient niet hoger te zijn dan het bedrag
dat bij een ongunstige afloop van de vaart door de Staat betaald zou moeten worden. Ter zake
ontbeert het besluit iedere motivering.
Bijeenkomst 9. Bestuurshandelen: Soorten
bestuurshandelingen – bevoegdheidsgrondslagen
Fluoridering, NJ 1973/386
Essentie
Vraag of de Waterleidingwet zich er tegen verzet dat de eigenaar van een waterleidingbedrijf een
fluorverbinding aan het drinkwater toevoegt teneinde deze via het bestaande waterleidingnet aan
de verbruikers te doen toekomen.
Samenvatting
De toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmede een geheel buiten de eigenlijke
drinkwatervoorziening gelegen doel te dienen is een maatregel van zó ingrijpende aard, dat,
zonder wettelijke grondslag, niet kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij
de vervulling van de hem in art. 4 lid 1 Waterleidingwet opgedragen taak de vrijheid heeft. Noch in
de tekst dezer wet noch in de wetsgeschiedenis is enige aanwijzing te vinden voor de stelling, dat
de wetgever de waterleidingbedrijven deze vrijheid heeft willen geven.
De gemeente Amsterdam nam het besluit om fluoride aan het drinkwater toe te voegen. Eisers
hebben hier bezwaar tegen. Zij voeren aan dat de gemeente een monopolie positie heeft in het
handelen van drinkwater. Bij Koninklijk Besluit werd de door de staatssecretaris verleende
toestemming (beschikking) vernietigd.
Overweging:“(...) dat de toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmee een geheel
buiten de eigenlijke drinkwatervoorziening gelegen doel te dienen en daarom een maatregel is van
zo ingrijpende aard, dat zonder wettelijke grondslag niet kan worden aangenomen dat een
waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in artikel 4 lid 1 van de Waterleidingwet
opgedragen taak de vrijheid geeft.”De Hoge Raad stelt dat hier sprake is van zo ingrijpend
handelen, dat er een wettelijke grondslag voor moet zijn. De Waterleidingwet voldoet hier echter
niet aan. In de tekst van de wet is geen aanwijzing te vinden voor de stelling dat
waterleidingbedrijven zo’n handeling uit mogen voeren. Ook zijn hier in de wetgeschiedenis geen
aanwijzingen voor te vinden.
Drinkwater is een van de eerste levensbehoeftes. Aangezien de gemeente Amsterdam een
monopolie positie bezit, wordt deze fluoridering door bijna heel Amsterdam verspreid. Volgens de
Hoge Raad worden bewoners dus praktisch gedwongen om het drinkwater met fluoride te
accepteren. De Hoge Raad vindt dit te ingrijpend en concludeert dat voor zo’n actie een wettelijke
grondslag is vereist.
Amsterdam /IKON, HR 27 maart 1987
De feiten
De gemeente Amsterdam heeft verschillende percelen in haar eigendom in erfpacht uitgegeven.
Eén van deze percelen wordt in erfpacht aan IKON uitgegeven. De bestemming van de percelen
is woningbouw, zonder toestemming van de gemeente heeft IKON kantoorruimtes gebouwd op
het perceel. Gedeputeerde Staten van Noord Holland hebben IKON bij beschikking wel
toestemming gegeven voor de kantoorruimtes. Hierop stapte de gemeente Amsterdam naar de
rechter. De rechtbank stelde de gemeente in het gelijk, in hoger beroep werd IKON in het gelijk
gesteld. Nu ligt het geschil voor de Hoge Raad.
,Rechtsvraag
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden door de gemeente Amsterdam bij het nemen van haar
beslissing?
Overweging
De Hoge Raad stelt dat het Hof juist geoordeeld heeft dat de overheid ook bij het uitoefenen van
bevoegdheden uit privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur (abbb’s) in acht moet nemen. Het gelijkheidsbeginsel is een abbb en moet derhalve in
acht genomen worden. Abbb’s hebben geen zwakkere werking in het privaatrecht dan in het
bestuursrecht.
De Hoge Raad was het niet eens met het oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel
geschonden was. Het Hof kwam tot dat oordeel doordat in het verleden eenzelfde vergunningen
als onderwerp van het geding in deze zaak gegeven werden terwijl die van IKON werd gewijzigd.
Het Hof miskent, aldus de Hoge Raad, dat het voorheen gevoerde beleid niet relevant meer is
aangezien het reeds gewijzigd was toen IKON toestemming tot bestemmingswijziging vroeg.Ook
is, anders dan het Hof oordeelde, in onderhavig geval geen sprake van een rechtens relevante
strijd met het gelijkheidsbeginsel op grond van de enkele omstandigheid dat de gemeente in een
op zichzelf staand geval zonder voldoende grond ten gunste van een ander dan Ikon een
uitzondering heeft gemaakt op haar vaste beleid, ook al zou die uitzondering niet zijn terug te
voeren op een vergissing aan de zijde van de gemeente.De Hoge Raad concludeert dat "in geval
een burger een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en dit beroep staaft met een opsomming
van gevallen die naar zijn mening aan het zijne gelijk zijn en door het overheidslichaam anders
zijn behandeld, het op de weg van het overheidslichaam ligt zich over een en ander uit te laten
en een eventuele ongelijke behandeling te verklaren."
Rechtsregel
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur hebben dezelfde werking het privaatrecht als in het
bestuursrecht.
Long Lin, ABRS 10 april 1995
Essentie
Verbod binnenvaren territoriale zee door zwaar beschadigd schip; besluit genomen ter
uitvoering van publiekrechtelijke taak; beschikking; sluiten garantieovereenkomst als
voorwaarde doet niet af aan beschikkingskarakter; belangenafweging tussen ernst van situatie
schip en mogelijke bedreiging voor kuststaat; garantie voor eventueel kostenverhaal; hoogte
garantie niet gemotiveerd.
Samenvatting
Het bestreden besluit is een beschikking in de zin van art. 2 Wet Arob. Enig als zodanig
aanwijsbaar publiekrechtelijk voorschrift ter uitvoering waarvan het besluit is genomen, is geen
vereiste om een beschikking in de zin van art. 2 aan te nemen. Naar door verweerder bij pleidooi
is gesteld, is de Staatbeheerder van de Nederlandse territoriale wateren. De Staat, en daarmee
verweerder, acht zich in dit verband verplicht ervoor zorg te dragen dat het vaarwater aan zijn
bestemming beantwoordt. Het vorenstaande betekent dat het besluit is genomen ter uitvoering
van verweerders publiekrechtelijke taak. Indien aan de toestemming tot binnenvaren vervolgens
de voorwaarde wordt verbonden dat een overeenkomst naar privaatrecht — zoals i.c. de
garantieverklaring — dient te worden gesloten, heeft dit niet het gevolg dat het besluit als
rechtshandeling naar burgerlijk recht moet worden gekwalificeerd. De Staat der Nederlanden en
daarmee verweerder ontleent de bevoegdheid tot het opleggen van een verbod in beginsel aan
de soevereiniteit van de Staat. Daartegenover staat echter dat verweerder op grond van het
volkenrecht niet zover mag gaan dat hij het voor een schip dat in nood verkeert en reparatie
, behoeft onmogelijk maakt om de territoriale zee binnen te varen. Er dient in een dergelijk geval
een afweging plaats te vinden tussen de ernst van de situatie waarin het schip zich bevindt en de
bedreiging die het schip kan vormen voor de kuststaat. Verweerder mag zich in dat geval
zekerheid verschaffen voor verhaal van de uit het binnenvaren van het schip voor de Staat
mogelijk voortvloeiende kosten. Aangezien die kosten primair zouden worden gedragen door de
Staat, lag het voor de hand een garantie te verlangen ten gunste van de Staat der Nederlanden.
Het bedrag waarvoor de garantie moet worden gegeven dient niet hoger te zijn dan het bedrag
dat bij een ongunstige afloop van de vaart door de Staat betaald zou moeten worden. Ter zake
ontbeert het besluit iedere motivering.