HOGESCHOOLTAALTOETS
Wordt getoetst op: Werkwoordspelling, Spelling algemeen, Zinsstructuur, Algemeen
taalgebruik.
Werkwoordspelling
Stam van het werkwoord: De stam van een werkwoord is het hele werkwoord zonder -en.
Bijvoorbeeld: ‘werken’ wordt ‘werk’ en ‘bestellen’ wordt ‘bestel’.
Stam +t
- De ik-vorm krijgt nooit een t. Een ander (mens, dier of ding) krijgt altijd een t,
behalve als er je of jij achter het werkwoord staat. Behalve als het verwijst naar het
onderwerp bijvoorbeeld ‘je vader’, ‘je auto’. Dus geldt bij ‘je’ alleen als het ‘jij’ kan
betekenen.
werk jij, fiets jij, gooi jij, luister je…
- ‘u’, ‘je’, ‘men’ ook stam +t.
- Bij werkwoorden die al eindigen op een D kan je soms lastig raden wat erachter
moet. Vervang dan dat werkwoord voor een ander werkwoord.
Stap 1.
Is het een persoonsvorm?
Stap 2.
Is het verleden tijd of tegenwoordige tijd?
Tegenwoordige tijd:
- Normale stam +t regel toepassen
Verleden tijd:
Sterke werkwoorden
- Veranderen van klank als je ze in een andere tijd zet. (Slapen – Ik sliep – Wij sliepen)
- Komt nooit een extra ‘t’ achter
Zwakke werkwoorden
- Ik vorm + de(n) of te(n)
- Regel ’t exkofschip toepassen
- Te(n): Laatste letter van de stam eindigt wel op een medeklinker in ’t exkofschip. De
klinkers e, o en i tellen niet mee.
- De(n): Laatste letter van de stam niet in ’t exkofschip.
, ’T EXKOFSCHIP: (Alleen gebruiken bij voltooid deelwoorden)
’t exkofschip bevat de medeklinkers t, f, k, s, ch en p. Als de stam van het werkwoord eindigt
op een van die letters wordt de uitgang –te gebruikt. Werkwoorden waarvan de stam op een
andere letter eindigt krijgen –de als uitgang.
Persoonsvorm: Zin vragend maken. Stam+ iets.
Voltooid deelwoord: Iets is af of voorbij. ’t Kofschip gebruiken of het woord
langer maken en kijken hoe het dan klinkt. Bijvoorbeeld ‘bezorgd’ wordt ‘bezorgde’ niet
‘bezorgte’ dus met een D.
Wordt getoetst op: Werkwoordspelling, Spelling algemeen, Zinsstructuur, Algemeen
taalgebruik.
Werkwoordspelling
Stam van het werkwoord: De stam van een werkwoord is het hele werkwoord zonder -en.
Bijvoorbeeld: ‘werken’ wordt ‘werk’ en ‘bestellen’ wordt ‘bestel’.
Stam +t
- De ik-vorm krijgt nooit een t. Een ander (mens, dier of ding) krijgt altijd een t,
behalve als er je of jij achter het werkwoord staat. Behalve als het verwijst naar het
onderwerp bijvoorbeeld ‘je vader’, ‘je auto’. Dus geldt bij ‘je’ alleen als het ‘jij’ kan
betekenen.
werk jij, fiets jij, gooi jij, luister je…
- ‘u’, ‘je’, ‘men’ ook stam +t.
- Bij werkwoorden die al eindigen op een D kan je soms lastig raden wat erachter
moet. Vervang dan dat werkwoord voor een ander werkwoord.
Stap 1.
Is het een persoonsvorm?
Stap 2.
Is het verleden tijd of tegenwoordige tijd?
Tegenwoordige tijd:
- Normale stam +t regel toepassen
Verleden tijd:
Sterke werkwoorden
- Veranderen van klank als je ze in een andere tijd zet. (Slapen – Ik sliep – Wij sliepen)
- Komt nooit een extra ‘t’ achter
Zwakke werkwoorden
- Ik vorm + de(n) of te(n)
- Regel ’t exkofschip toepassen
- Te(n): Laatste letter van de stam eindigt wel op een medeklinker in ’t exkofschip. De
klinkers e, o en i tellen niet mee.
- De(n): Laatste letter van de stam niet in ’t exkofschip.
, ’T EXKOFSCHIP: (Alleen gebruiken bij voltooid deelwoorden)
’t exkofschip bevat de medeklinkers t, f, k, s, ch en p. Als de stam van het werkwoord eindigt
op een van die letters wordt de uitgang –te gebruikt. Werkwoorden waarvan de stam op een
andere letter eindigt krijgen –de als uitgang.
Persoonsvorm: Zin vragend maken. Stam+ iets.
Voltooid deelwoord: Iets is af of voorbij. ’t Kofschip gebruiken of het woord
langer maken en kijken hoe het dan klinkt. Bijvoorbeeld ‘bezorgd’ wordt ‘bezorgde’ niet
‘bezorgte’ dus met een D.