10.2 Compositionaliteit
Compositionaliteit: de betekenis van een zin is een optelsom van de betekenissen van de
samenstellende woorden en de syntactische verbanden tussen deze woorden.
10.3 Nominale woordgroepen: referentie
refereren: verwijzen naar personen of zaken met behulp van taalelementen.
referent: persoon of zaak waar naar verwezen wordt
referentie: verband tussen het taalelement en de persoon of zaak waarnaar verwezen wordt.
specifieke referentie: wanneer een spreker verwijst naar een referent die voor hem bekend
is.
definiet: identificeerbaar voor de hoorder LW: de
Indefiniet: niet identificeerbaar voor de hoorder LW: een
niet-specifieke referentie: wanneer een spreker verwijst naar een referent die niet voor hem
bekend is.
generiek: soort als geheel LW: de
cattegoriaal: willekeurig lid van een soort LW: een
10.4 Nominale woordgroepen: deixis en anafora
deixis: verwijzen vanuit een gemeenschappelijk referentiekader
anafora/ anaforische referentie: pronominaal taalelement verwijst naar een ander
taalelement (antecedent)
10.5 Verbale woordgroepen: tijd en aspect
situatie: een geheel van omstandigheden die op een bepaald moment bestaan
tempus: lokalisering van de aangeduide situatie van de tijd
presens: tt
preteritum: vert
futurum: toet
absolute tempus: tt of vert
relatieve tempus: toet
perfectief aspect: situatie wordt als een afgesloten geheel geïnterpreteerd
imperfectief aspect: nog niet afgesloten
10.6 Verbale woordgroepen: situatietypen
situatietypen:
1. dynamisch: er verandert wat
2. statisch: er verandert niets
3. gecontroleerd: de deelnemer bepaalt zelf wat
4. niet-gecontroleerd: de deelnemer wordt wat opgedragen
Compositionaliteit: de betekenis van een zin is een optelsom van de betekenissen van de
samenstellende woorden en de syntactische verbanden tussen deze woorden.
10.3 Nominale woordgroepen: referentie
refereren: verwijzen naar personen of zaken met behulp van taalelementen.
referent: persoon of zaak waar naar verwezen wordt
referentie: verband tussen het taalelement en de persoon of zaak waarnaar verwezen wordt.
specifieke referentie: wanneer een spreker verwijst naar een referent die voor hem bekend
is.
definiet: identificeerbaar voor de hoorder LW: de
Indefiniet: niet identificeerbaar voor de hoorder LW: een
niet-specifieke referentie: wanneer een spreker verwijst naar een referent die niet voor hem
bekend is.
generiek: soort als geheel LW: de
cattegoriaal: willekeurig lid van een soort LW: een
10.4 Nominale woordgroepen: deixis en anafora
deixis: verwijzen vanuit een gemeenschappelijk referentiekader
anafora/ anaforische referentie: pronominaal taalelement verwijst naar een ander
taalelement (antecedent)
10.5 Verbale woordgroepen: tijd en aspect
situatie: een geheel van omstandigheden die op een bepaald moment bestaan
tempus: lokalisering van de aangeduide situatie van de tijd
presens: tt
preteritum: vert
futurum: toet
absolute tempus: tt of vert
relatieve tempus: toet
perfectief aspect: situatie wordt als een afgesloten geheel geïnterpreteerd
imperfectief aspect: nog niet afgesloten
10.6 Verbale woordgroepen: situatietypen
situatietypen:
1. dynamisch: er verandert wat
2. statisch: er verandert niets
3. gecontroleerd: de deelnemer bepaalt zelf wat
4. niet-gecontroleerd: de deelnemer wordt wat opgedragen