Hoofdstuk 2: Kinderen
2.1 Inleiding
De financiering van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) gebeurt uit de algemene middelen, dat wil
zeggen uit belastingopbrengsten, en niet door middel van premieheffing. Om die reden wordt de AKW
aangemerkt als een sociale voorziening. Kijk je echter naar de kring van verzekerden, dan toont de AKW
grote gelijkenis met de volksverzekeringen AOW en ANW.
Naast de AKW bestaat ook het kindgebonden budget (KGB). Het KGB heeft als doel ouders met een laag
inkomen financieel te ondersteunen. In tegenstelling tot de kinderbijslag is het KGB wel afhankelijk van
het inkomen van de ouder en ook van het aantal en de leeftijd van de kinderen.
2.2 Kring van verzekerden
Je bent verzekerd voor de AKW als je in Nederland woont of in Nederland werkt en onder de
loonbelasting valt. Ook moet een persoon rechtmatig in Nederland verblijven, dus beschikken over
een geldige verblijfstitel. De verzekering van de AKW is hiermee gelijk aan die van de AOW en ANW.
Wanneer woont een persoon in Nederland, of in de terminologie van de wet: wanneer is sprake van
ingezetenschap? Dit wordt naar omstandigheden beoordeeld (zie artikel 2 en 3 AKW).
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kijkt of er een “duurzame band van persoonlijke aard” bestaat
tussen de persoon en Nederland. Het is onvoldoende dat iemand enkel de intentie heeft zich definitief in
Nederland te vestigen. Uit feitelijke omstandigheden – zoals het hebben van zelfstandige woonruimte –
moet blijken dat die band daadwerkelijk duurzaam is.
2.3 Vertrek uit Nederland
Wat gebeurt er wanneer een verzekerde uit Nederland vertrekt, met andere woorden: wanneer is de
duurzame band van persoonlijke aard verbroken?
De duurzame band gaat niet verloren als iemand bijvoorbeeld 9 maanden op wereldreis gaat. Pas
wanneer de maatschappelijke banden met Nederland worden verbroken, is de betrokkene niet meer
verzekerd voor de AKW.
Als niet duidelijk is of het vertrek definitief is, houdt de SVB betrokkene het eerste jaar na feitelijk
vertrek nog als ingezetene aan. Na dat jaar moet worden aangetoond dat de omstandigheden het
handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Zijn er drie jaar verstreken na vertrek, dan wordt het
ingezetenschap zonder meer als geëindigd beschouwd.
2.3.1 Voor welke kinderen
Recht op kinderbijslag bestaat voor een eigen, aangehuwd, stief- of pleegkind (zie artikel 4 lid 1 en
artikel 7 AKW).
, • Een eigen kind is niet alleen het biologische kind; het is een juridisch begrip (zie artikel 4 AKW).
• Een aangehuwd kind is een kind van de partner uit een vorige relatie.
Een schoonzoon of schoondochter is geen aangehuwd kind.
Ook voor een pleegkind kan kinderbijslag worden verkregen. Een pleegkind is een kind dat de verzekerde
als eigen kind onderhoudt en opvoedt en waarmee een nauwe, exclusieve relatie bestaat (zie artikel
4 lid 3 AKW en de Regeling gelijkstelling pleegkinderen).
Als een nog levende ouder van het kind bevoegd en in staat is belangrijke beslissingen te nemen, wordt
pleegouderschap in beginsel niet aangenomen.
Ontvangt de pleegouder een pleegzorgvergoeding, dan bestaat geen recht op kinderbijslag.
2.3.2 Thuiswonende kinderen tot 18 jaar
De wet maakt onderscheid tussen thuiswonende en uitwonende kinderen tot 18 jaar (zie artikel 7 lid 1
AKW).
Voor een thuiswonend kind tot 18 jaar bestaat zonder meer recht op kinderbijslag als het kind tot het
huishouden van de verzekerde behoort. Dit is het geval wanneer een kind meer dan 4 nachten per
week thuis verblijft en dit een blijvende situatie is.
Verblijft een kind tijdelijk elders, dan blijft het gedurende 6 maanden als thuiswonend aangemerkt. De
verzekerde hoeft niet aan te tonen dat hij een bepaald bedrag besteedt aan het kind; de wet gaat ervan uit
dat het kind wordt onderhouden.
2.3.3 Uitwonende kinderen tot 18 jaar
Bij uitwonende kinderen kun je denken aan kinderen die niet bij de verzekerde wonen vanwege
echtscheiding, een internaat, of verblijf in een ander EU-land (zie artikel 7 lid 1 sub b AKW).
Voor uitwonende kinderen bestaat recht op kinderbijslag als de verzekerde voldoet aan de
onderhoudseisen. De verzekerde moet aantonen dat hij voldoende bijdraagt aan de verzorging en het
onderhoud van het kind en dit op een controleerbare wijze kan onderbouwen.
Mensen met lage inkomens hebben vaak meer moeite om aan deze eisen te voldoen. De wet houdt geen
rekening met draagkracht. Als je drie kinderen hebt maar slechts voor twee kinderen het vereiste bedrag
voldoet, dan is er voor geen enkel kind recht op kinderbijslag.
Extra voorwaarden voor kinderen van 16 en 17 jaar
Voor kinderen van 16 of 17 jaar geldt een extra voorwaarde. De ouder heeft recht op kinderbijslag
wanneer het kind:
• een dagopleiding volgt die leidt tot een startkwalificatie, of
• hiervan is vrijgesteld vanwege een handicap.
Is de jongere werkloos na het behalen van de startkwalificatie, dan blijft het recht op kinderbijslag
bestaan (zie artikel 7 lid 2 sub a, c en d AKW).
,Volgens artikel 7 lid 2 onder a AKW moet het kind niet alleen formeel staan ingeschreven, maar mag het
ook niet meer dan 16 uur in 4 weken spijbelen. Bij verwijtbaar gedrag van de ouders kan melding gedaan
worden bij de SVB. In het uiterste geval vervalt het recht op kinderbijslag (zie artikel 7 lid 3 en 4 AKW).
Kind in het buitenland
Als de ouder verzekerd is, is kinderbijslag mogelijk voor een kind dat in Nederland woont of voor wie op
grond van Europese verordeningen recht bestaat. Dit geldt voor kinderen die verblijven in EU-/EER-
landen of Zwitserland (zie artikel 7b lid 1 en 2 AKW).
Voor kinderen buiten deze landen is kinderbijslag niet altijd onmogelijk, maar alleen mogelijk op basis
van bestaande verdragen.
2.4 Hoogte kinderbijslag
De hoogte van de kinderbijslag is gekoppeld aan een vast basisbedrag, namelijk € 409,21 per kwartaal,
en is afhankelijk van de leeftijd (zie artikel 12 lid 1 en 3 AKW).
Leeftijdscategorieën
• 0–6 jaar: € 286,45 (70% van het basisbedrag)
• 6–12 jaar: € 347,83 (85% van het basisbedrag)
• 12–18 jaar: € 409,21 (100%)
Woonlandbeginsel
Wanneer een kind woont in een EU-land, Zwitserland of een land waarmee Nederland een
socialezekerheidsverdrag heeft, wordt de hoogte van de kinderbijslag aangepast aan de kosten van
levensonderhoud in dat land.
2.4.1 Dubbele kinderbijslag
In sommige situaties bestaat recht op dubbele kinderbijslag, onder andere wanneer het kind niet thuis
woont en de ouder kan aantonen dat een bepaald bedrag aan onderhoud is besteed (zie artikel 7 lid 6
AKW).
Dit geldt bij:
• uitwoning in verband met ziekte of gebrek
• uitwoning vanwege onderwijs of beroepsopleiding
Daarnaast bestaat recht op dubbele kinderbijslag voor een thuiswonend kind van 3 tot 18 jaar dat
intensieve zorg nodig heeft (zie artikel 7a lid 1 AKW).
Van intensieve zorg is sprake wanneer volgens het CIZ de verzorging in het dagelijks functioneren ernstig
is verzwaard door een handicap of stoornis.
2.4.2 Bijbaan
Een bijbaan van het kind heeft geen gevolgen voor de kinderbijslag voor de ouders.
, 2.5 Ingang en uitvoering
De uitvoering van de kinderbijslag ligt bij de SVB (zie artikel 14 AKW). De SVB betaalt per kwartaal, altijd
achteraf.
Na aangifte van de geboorte van het eerste kind ontvangt men automatisch een aanvraagformulier.
Kinderbijslag voor volgende kinderen hoeft niet apart te worden aangevraagd.
De peildatum is de eerste dag van het kwartaal (zie artikel 11 lid 1 AKW).
Voor de onderhoudseis kijkt de SVB echter naar het hele kwartaal.
2.5.1 Gescheiden ouders
Ook bij gescheiden ouders krijgt maar één ouder kinderbijslag.
Wanneer het kind bij de moeder woont maar de vader € 200 per maand kinderalimentatie betaalt,
voldoen beide ouders aan de onderhoudseis en hebben dus beiden recht op kinderbijslag (zie artikel
18 lid 2 AKW).
Als twee of meer personen recht hebben op kinderbijslag voor hetzelfde kind, wordt het recht toegekend
aan degene die de hoogste onderhoudsbijdrage levert (zie artikel 18 lid 5 AKW).
Bij co-ouderschap (bij gelijke verzorging en onderhoud volgens overeenkomst of rechterlijke
beschikking) krijgt ieder de helft, tenzij anders is overeengekomen.
2.6 Terugvordering en boete
De verzekerde is verplicht om alle relevante informatie te verstrekken aan de SVB (zie artikel 15 AKW).
2.6.1 Terugvordering
Wanneer de SVB achteraf vaststelt dat kinderbijslag ten onrechte is verstrekt, moet het besluit worden
herzien of ingetrokken (zie artikel 14a AKW).
Is te veel betaald doordat de verzekerde zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, dan wordt dit bedrag
teruggevorderd.
De SVB kan afzien van terugvordering wanneer:
• de betrokkene niet wist of kon weten dat de betaling onterecht was, of
• er sprake is van dringende redenen, zoals onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen.
De CRvB heeft bepaald dat moet worden gekeken naar zowel de oorzaak als de gevolgen van de
onterechte betaling.