Hoofdstuk 1 kinderen en groepen
1.2.2 Leerprocessen
Conditionering
Het leren van kinderen gebeurt onder andere volgens het principe van het zogenoemde
sociale leren. Dit is gestoeld op de leertheorie die voortkomt uit de behavioristische
benadering. Behavioristen kijken naar de directe relatie tussen de omgeving en het gedrag.
Pavlov: het leerproces via klassiek conditionering. Een hond gaat het geluid dat altijd komt als
er voedsel in aantocht is, koppelen aan het eten. Dus wanneer de hond het geluid hoort gaat
hij kwijlen. De hond is geconditioneerd.
Skinner: Operante conditionering. De sterke werking van het belonen, het dier komt er per
ongelijk achter dat als hij iets doet hij hier eten voor krijgt. Het dier wordt hier voor beloond,
en gaat dit vaker doen zien we terug in de opvoeding van het kind.
Observationeel leren
Albert Bandura is de ontwikkelaar van de sociale leertheorie. Beschouwt het leren als een
interactie tussen de omgeving, persoonlijke factoren en het gedrag. Mensen leren doordat ze
dingen die andere doen observeren en imiteren. Observationeel leren vindt dus plaats via
modelling en imitatie. Voor de totstandkoming van modelling moet aan 4 voorwaarden
worden voldaan:
Er moet aandacht zijn voor het gedrag van de ander.
Het visuele beeld moet in het geheugen worden vastgehouden.
Het kind moet fysiek in staat zijn om te imiteren en over voldoende informatie
beschikken om juist te kunnen imiteren.
Het kind dient gemotiveerd te zijn.
Het experiment van Bandura toont aan dat het aanbieden van waardevolle modellen een
veel grotere invloed heeft dan het louter operante leren (leren door versterking).
Hoofdstuk 9 Kinderen worden begeleid
9.1 Pedagogisch handelen
Om een groep pedagogisch verantwoord te kunnen begeleiden, is een aantal vaardigheden
vereist. Persoonlijke veiligheid bieden, groepsveiligheid bieden, afstand en nabijheid creëren,
humor inzetten, zorgen voor helderheid in handelen, grenzen stellen, belonen en straffen,
motiveren en improviseren.
Persoonlijke veiligheid bieden
Sensitief en responsief zijn. Sensitief betekent dat de opvoeder signaleert wat het kind nodig
heeft, wat het kind wil en waar zijn behoeften liggen, en daar zo adequaat mogelijk op
reageert. Responsief betekent dat de begeleider interesse en betrokkenheid toont bij
initiatieven van het kind of de jongere. Dus actief luisteren naar gevoelens. Onder veiligheid
bieden verstaan we uiteraard ook de fysieke veiligheid. Veiligheid bieden bestaat verder uit
het besef dat het kind zelf deskundig is en weet wat hij nodig heeft.
Groepsveiligheid bieden
Hiervoor dient voldaan te worden aan de behoeften van het kind om erbij te horen, invloed
te hebben en persoonlijk contact te leggen. Daarnaast is het van belang om aandacht te
hebben voor de onderlinge veiligheid. Steek energie in positieve groepsvorming.
Afstand en nabijheid creëren
In de interacties stem je als begeleider af hoe dicht bij de ander je kunt/mag zitten of staan.
1.2.2 Leerprocessen
Conditionering
Het leren van kinderen gebeurt onder andere volgens het principe van het zogenoemde
sociale leren. Dit is gestoeld op de leertheorie die voortkomt uit de behavioristische
benadering. Behavioristen kijken naar de directe relatie tussen de omgeving en het gedrag.
Pavlov: het leerproces via klassiek conditionering. Een hond gaat het geluid dat altijd komt als
er voedsel in aantocht is, koppelen aan het eten. Dus wanneer de hond het geluid hoort gaat
hij kwijlen. De hond is geconditioneerd.
Skinner: Operante conditionering. De sterke werking van het belonen, het dier komt er per
ongelijk achter dat als hij iets doet hij hier eten voor krijgt. Het dier wordt hier voor beloond,
en gaat dit vaker doen zien we terug in de opvoeding van het kind.
Observationeel leren
Albert Bandura is de ontwikkelaar van de sociale leertheorie. Beschouwt het leren als een
interactie tussen de omgeving, persoonlijke factoren en het gedrag. Mensen leren doordat ze
dingen die andere doen observeren en imiteren. Observationeel leren vindt dus plaats via
modelling en imitatie. Voor de totstandkoming van modelling moet aan 4 voorwaarden
worden voldaan:
Er moet aandacht zijn voor het gedrag van de ander.
Het visuele beeld moet in het geheugen worden vastgehouden.
Het kind moet fysiek in staat zijn om te imiteren en over voldoende informatie
beschikken om juist te kunnen imiteren.
Het kind dient gemotiveerd te zijn.
Het experiment van Bandura toont aan dat het aanbieden van waardevolle modellen een
veel grotere invloed heeft dan het louter operante leren (leren door versterking).
Hoofdstuk 9 Kinderen worden begeleid
9.1 Pedagogisch handelen
Om een groep pedagogisch verantwoord te kunnen begeleiden, is een aantal vaardigheden
vereist. Persoonlijke veiligheid bieden, groepsveiligheid bieden, afstand en nabijheid creëren,
humor inzetten, zorgen voor helderheid in handelen, grenzen stellen, belonen en straffen,
motiveren en improviseren.
Persoonlijke veiligheid bieden
Sensitief en responsief zijn. Sensitief betekent dat de opvoeder signaleert wat het kind nodig
heeft, wat het kind wil en waar zijn behoeften liggen, en daar zo adequaat mogelijk op
reageert. Responsief betekent dat de begeleider interesse en betrokkenheid toont bij
initiatieven van het kind of de jongere. Dus actief luisteren naar gevoelens. Onder veiligheid
bieden verstaan we uiteraard ook de fysieke veiligheid. Veiligheid bieden bestaat verder uit
het besef dat het kind zelf deskundig is en weet wat hij nodig heeft.
Groepsveiligheid bieden
Hiervoor dient voldaan te worden aan de behoeften van het kind om erbij te horen, invloed
te hebben en persoonlijk contact te leggen. Daarnaast is het van belang om aandacht te
hebben voor de onderlinge veiligheid. Steek energie in positieve groepsvorming.
Afstand en nabijheid creëren
In de interacties stem je als begeleider af hoe dicht bij de ander je kunt/mag zitten of staan.