AC/F&C
Verdieping Ondernemingsrecht
1014AB308A
Week 2: Faillissement deel 2: de liquidatie
2021-2022
Jaar 3, Semester 1, periode 10
Studentenhandleiding
1
,Week 2: Inleiding Faillissementsrecht II, de executie.
Bestuderen: Syllabus 1.8 tm 1.10
Vervolg syllabus Inleiding Faillissementsrecht:
1.8 De executie.
De opbrengst van de failliete boedel is meestal niet voldoende om alle schuldeisers te
voldoen. De opbrengst moet daarom worden verdeeld onder de schuldeisers die in principe
allemaal gelijke rang hebben, ze zijn concurrent. Hun vorderingen worden zoveel mogelijk
naar evenredigheid voldaan. Ze worden dan ook concurrente schuldeisers genoemd (art
3:277 lid 1 BW).
In de praktijk blijft er echter meestal weinig of niets over voor de concurrente schuldeisers.
Dit komt omdat er schuldeisers zijn die voorrang hebben boven de concurrente schuldeisers.
Voorrang kan ontstaan doordat de schuldeiser een pand- of hypotheekrecht heeft bedongen
(zie 1.2) tot zekerheid van zijn vordering of doordat de wet voorrang tot betaling verleent
aan bepaalde vorderingen. Schuldeisers met een dergelijk voorrangsrecht worden
bevoorrechte of preferente schuldeisers genoemd. Ook de schuldeiser met een zgn.
retentierecht (zie hieronder 1.8.2) heeft op grond van de wet een hoge voorrang (art
3:290/292 BW).
1.8.1 Rangorde van schuldeisers.
De rangorde van schuldeisers in het faillissement bepaalt in belangrijke mate de kans op
betaling. Hoe hoger de plaats in de rangorde, des te groter de kans dat de schuldeiser
betaald wordt.
In een faillissement is de volgorde waarin de schuldeisers worden uitbetaald zeer belangrijk,
omdat de schuldeisers samen veel meer geld van de schuldenaar tegoed hebben dan er
feitelijk te verdelen valt.
Schuldeisers met voorrang
Schuldeisers met een voorrangsrecht hebben de eerste rechten als de boedel van de failliet
wordt verkocht. De voorrangsrechten staan in art. 3:277 in het BW.
Rangorde van schuldeisers bij faillissement
De vordering die de schuldeiser heeft op de schuldenaar bepaalt de plek in de rangorde. De
rangorde van schuldeisers is als volgt:
1. Pand – en hypotheekhouders, oftewel separatisten
2
, Zij blijven buiten het faillissement. Pand- en hypotheekhouders mogen hun rechten
uitoefenen alsof er geen faillissement is. (zie 1.2).
2. Boedelschulden of boedelvorderingen
Dit zijn schulden die zijn ontstaan in de periode van het faillissement en rechtstreeks met het
faillissement te maken hebben. Het gaat hierbij om het salaris van de curator, de
advertentiekosten en de kosten van taxatie van het vermogen. De wet bepaalt wanneer er
sprake is van een boedelschuld. Deze schulden hebben voorrang boven alle andere
schulden.
Preferente vorderingen
Schuldeisers met een preferente vordering hebben een wettelijk recht op voorrang. Ook
binnen de groep van preferente vorderingen geldt een rangorde. Deze groep van preferente
schuldeisers is verder uit te splitsen in:
3. Belasting en sociale zekerheid
Als de curator de boedelschulden heeft betaalt, komt de Belastingdienst en de
uitvoeringsinstellingen (premies sociale zekerheid) met hun vorderingen. De curator moet
deze vorderingen onmiddellijk na de boedelschulden voldoen.
Op grond van artikel 21 Invorderingswet 1990 is de Belastingdienst een bevoorrechte
crediteur. Dat betekent dat de curator aanspraak maakt op de opbrengst van zogenoemde
bodemzaken (zoals bijvoorbeeld inventaris, machinepark) en dat deze opbrengst ten goede
dient te komen aan de belastingdienst, voor zover deze niet uit vrij actief kan worden
betaald en uiteraard voor zover de vordering van de belastingdienst strekt. De curator keert
uit aan de belastingdienst, doch na omslag van de algemene faillissementskosten
(waaronder de boedelvorderingen).
3
Verdieping Ondernemingsrecht
1014AB308A
Week 2: Faillissement deel 2: de liquidatie
2021-2022
Jaar 3, Semester 1, periode 10
Studentenhandleiding
1
,Week 2: Inleiding Faillissementsrecht II, de executie.
Bestuderen: Syllabus 1.8 tm 1.10
Vervolg syllabus Inleiding Faillissementsrecht:
1.8 De executie.
De opbrengst van de failliete boedel is meestal niet voldoende om alle schuldeisers te
voldoen. De opbrengst moet daarom worden verdeeld onder de schuldeisers die in principe
allemaal gelijke rang hebben, ze zijn concurrent. Hun vorderingen worden zoveel mogelijk
naar evenredigheid voldaan. Ze worden dan ook concurrente schuldeisers genoemd (art
3:277 lid 1 BW).
In de praktijk blijft er echter meestal weinig of niets over voor de concurrente schuldeisers.
Dit komt omdat er schuldeisers zijn die voorrang hebben boven de concurrente schuldeisers.
Voorrang kan ontstaan doordat de schuldeiser een pand- of hypotheekrecht heeft bedongen
(zie 1.2) tot zekerheid van zijn vordering of doordat de wet voorrang tot betaling verleent
aan bepaalde vorderingen. Schuldeisers met een dergelijk voorrangsrecht worden
bevoorrechte of preferente schuldeisers genoemd. Ook de schuldeiser met een zgn.
retentierecht (zie hieronder 1.8.2) heeft op grond van de wet een hoge voorrang (art
3:290/292 BW).
1.8.1 Rangorde van schuldeisers.
De rangorde van schuldeisers in het faillissement bepaalt in belangrijke mate de kans op
betaling. Hoe hoger de plaats in de rangorde, des te groter de kans dat de schuldeiser
betaald wordt.
In een faillissement is de volgorde waarin de schuldeisers worden uitbetaald zeer belangrijk,
omdat de schuldeisers samen veel meer geld van de schuldenaar tegoed hebben dan er
feitelijk te verdelen valt.
Schuldeisers met voorrang
Schuldeisers met een voorrangsrecht hebben de eerste rechten als de boedel van de failliet
wordt verkocht. De voorrangsrechten staan in art. 3:277 in het BW.
Rangorde van schuldeisers bij faillissement
De vordering die de schuldeiser heeft op de schuldenaar bepaalt de plek in de rangorde. De
rangorde van schuldeisers is als volgt:
1. Pand – en hypotheekhouders, oftewel separatisten
2
, Zij blijven buiten het faillissement. Pand- en hypotheekhouders mogen hun rechten
uitoefenen alsof er geen faillissement is. (zie 1.2).
2. Boedelschulden of boedelvorderingen
Dit zijn schulden die zijn ontstaan in de periode van het faillissement en rechtstreeks met het
faillissement te maken hebben. Het gaat hierbij om het salaris van de curator, de
advertentiekosten en de kosten van taxatie van het vermogen. De wet bepaalt wanneer er
sprake is van een boedelschuld. Deze schulden hebben voorrang boven alle andere
schulden.
Preferente vorderingen
Schuldeisers met een preferente vordering hebben een wettelijk recht op voorrang. Ook
binnen de groep van preferente vorderingen geldt een rangorde. Deze groep van preferente
schuldeisers is verder uit te splitsen in:
3. Belasting en sociale zekerheid
Als de curator de boedelschulden heeft betaalt, komt de Belastingdienst en de
uitvoeringsinstellingen (premies sociale zekerheid) met hun vorderingen. De curator moet
deze vorderingen onmiddellijk na de boedelschulden voldoen.
Op grond van artikel 21 Invorderingswet 1990 is de Belastingdienst een bevoorrechte
crediteur. Dat betekent dat de curator aanspraak maakt op de opbrengst van zogenoemde
bodemzaken (zoals bijvoorbeeld inventaris, machinepark) en dat deze opbrengst ten goede
dient te komen aan de belastingdienst, voor zover deze niet uit vrij actief kan worden
betaald en uiteraard voor zover de vordering van de belastingdienst strekt. De curator keert
uit aan de belastingdienst, doch na omslag van de algemene faillissementskosten
(waaronder de boedelvorderingen).
3