Probleem 2
Craske, M. G. (2003). Disposition to fear and anxiety: negative affectivity
Negatieve affectiviteit een kwetsbaarheidsfactor voor angst en andere emotionele stoornissen.
Onderliggend trait of temperament predisponeert individuen om een later een angststoornis te
ervaren. Variabiliteit in temperament door extraversie, agreeableness, conscientiousness, emotionele
stabiliteit/neuroticisme, en openheid voor ervaringen (‘big five’ model van persoonlijkheid). Manieren waarop
temperament de ontwikkeling van psychopathologie kan beïnvloeden:
1. Temperament kan dienen als predispositie, speelt een direct causale rol in psychopathologie.
Diathesis-stress model: een relevante stressor in combinatie met een temperament dispositie triggert
het begin van een stoornis.
Bijv. onverwacht verlies van een ouder door hartaanval kan alleen paniekaanvallen en angst triggeren in iemand
met een emotioneel kwetsbaar temperament.
2. Pathoplasticity: Temperament kan de expressie of het verloop van de stoornis modereren zonder een
direct causale rol te hebben. Temperament beïnvloed de vorming van de omgeving voor het individu.
Bijv. interpersoonlijke reacties van anderen kunnen deels worden beïnvloed door temperamentvolle variabelen,
en de resultante sociale interacties kunnen bijdragen aan angstige processen op lange termijn.
3. Complication of scarring model: Temperament kan worden veranderd door de ervaring met de
stoornis.
Bijv. zodra een conditionering event heeft gevestigd een angstige reactie, kan temperament negatief worden
beïnvloed zodat de manifestatie van angst versterkt de kwetsbaarheid voor angst.
4. Continuity model: temperament en stoornis reflecteren hetzelfde onderliggende proces.
Onwaarschijnlijk dat dit model de meeste angststoornissen verklaart, want maar een derde van
temperamentvol gepredisponeerde kinderen ontwikkelen daadwerkelijk angststoornissen.
Modellen niet elkaar uitsluitend en ondersteuning voor bijna alle mogelijkheden.
Temperament voor angst
Temperament meest geassocieerd met angststoornissen is neuroticisme / emotionele stabiliteit / negatieve
affectiviteit. Laatste concept onttrekt uit werk van Eysenck (1967).
Eysenck extraversie en neuroticisme voorgesteld als primaire dimensies van persoonlijkheid loodrecht
op elkaar en gelijk bijgedragen aan angst en depressie. Hoge neuroticisme en lage extraversie specifiek
bijgedragen aan angst.
Neuroticisme reflecteert individuele verschillen in reactiviteit op negatieve omgevingsstimuli, met
hoge scores negatiever reactief of geneigd tot negatieve ervaringen. Neurale substraat betrok septum,
hippocampus, amygdala, en hypothalamus.
Individuele verschillen in extraversie reflecteerden niveaus van corticale arousal, resulterend uit
verschillen in reactiviteit van het ascending reticular activating systeem op omgevingssstimuli.
Introverten tonen verhoogde corticale arousal in rust, hogere tonic niveaus van autonome activiteit,
en grotere reacties op stimuli van lage tot matige stimulatie, grotere veranderingen in pupilgrootte in
stimulatie, grotere toenamen in hartslag in hoofdrekentesten, en grotere dishabituation van
electrodermal reageren op stimulusveranderingen.
Gray ‘angst’ en ‘impulsiviteit’ voorgesteld als de major dimensies van persoonlijkheid. Angst positief
geassocieerd met neuroticisme en negatief geassocieerd met extraversie; impulsiviteit positief geassocieerd
met extraversie en met neuroticisme.
Gray scheidt fear van panic. Fear opgewekt door activatie van BIS. Paniekaanvallen toegeschreven aan
‘fight-flight’ systeem dat reacties op ongeconditioneerde aversieve stimuli medieert en omvat central gray,
medial hypothalamus, en amygdala.
Angst reflecteert individuele verschillen in behavioral inhibition system (BIS): defensief motiverend
systeem waaraan hoge neuroticisme en, in mindere mate, lage extraversie bijdragen als activators. BIS
gemedieerd door noradrenerge en serotonerge paden door het septohippocampal systeem en gerelateerde
structuren, consistent met hersengebied meest geassocieerd met anticiperende, geconditioneerde angst voor
contextuele stimuli.
Craske, M. G. (2003). Disposition to fear and anxiety: negative affectivity
Negatieve affectiviteit een kwetsbaarheidsfactor voor angst en andere emotionele stoornissen.
Onderliggend trait of temperament predisponeert individuen om een later een angststoornis te
ervaren. Variabiliteit in temperament door extraversie, agreeableness, conscientiousness, emotionele
stabiliteit/neuroticisme, en openheid voor ervaringen (‘big five’ model van persoonlijkheid). Manieren waarop
temperament de ontwikkeling van psychopathologie kan beïnvloeden:
1. Temperament kan dienen als predispositie, speelt een direct causale rol in psychopathologie.
Diathesis-stress model: een relevante stressor in combinatie met een temperament dispositie triggert
het begin van een stoornis.
Bijv. onverwacht verlies van een ouder door hartaanval kan alleen paniekaanvallen en angst triggeren in iemand
met een emotioneel kwetsbaar temperament.
2. Pathoplasticity: Temperament kan de expressie of het verloop van de stoornis modereren zonder een
direct causale rol te hebben. Temperament beïnvloed de vorming van de omgeving voor het individu.
Bijv. interpersoonlijke reacties van anderen kunnen deels worden beïnvloed door temperamentvolle variabelen,
en de resultante sociale interacties kunnen bijdragen aan angstige processen op lange termijn.
3. Complication of scarring model: Temperament kan worden veranderd door de ervaring met de
stoornis.
Bijv. zodra een conditionering event heeft gevestigd een angstige reactie, kan temperament negatief worden
beïnvloed zodat de manifestatie van angst versterkt de kwetsbaarheid voor angst.
4. Continuity model: temperament en stoornis reflecteren hetzelfde onderliggende proces.
Onwaarschijnlijk dat dit model de meeste angststoornissen verklaart, want maar een derde van
temperamentvol gepredisponeerde kinderen ontwikkelen daadwerkelijk angststoornissen.
Modellen niet elkaar uitsluitend en ondersteuning voor bijna alle mogelijkheden.
Temperament voor angst
Temperament meest geassocieerd met angststoornissen is neuroticisme / emotionele stabiliteit / negatieve
affectiviteit. Laatste concept onttrekt uit werk van Eysenck (1967).
Eysenck extraversie en neuroticisme voorgesteld als primaire dimensies van persoonlijkheid loodrecht
op elkaar en gelijk bijgedragen aan angst en depressie. Hoge neuroticisme en lage extraversie specifiek
bijgedragen aan angst.
Neuroticisme reflecteert individuele verschillen in reactiviteit op negatieve omgevingsstimuli, met
hoge scores negatiever reactief of geneigd tot negatieve ervaringen. Neurale substraat betrok septum,
hippocampus, amygdala, en hypothalamus.
Individuele verschillen in extraversie reflecteerden niveaus van corticale arousal, resulterend uit
verschillen in reactiviteit van het ascending reticular activating systeem op omgevingssstimuli.
Introverten tonen verhoogde corticale arousal in rust, hogere tonic niveaus van autonome activiteit,
en grotere reacties op stimuli van lage tot matige stimulatie, grotere veranderingen in pupilgrootte in
stimulatie, grotere toenamen in hartslag in hoofdrekentesten, en grotere dishabituation van
electrodermal reageren op stimulusveranderingen.
Gray ‘angst’ en ‘impulsiviteit’ voorgesteld als de major dimensies van persoonlijkheid. Angst positief
geassocieerd met neuroticisme en negatief geassocieerd met extraversie; impulsiviteit positief geassocieerd
met extraversie en met neuroticisme.
Gray scheidt fear van panic. Fear opgewekt door activatie van BIS. Paniekaanvallen toegeschreven aan
‘fight-flight’ systeem dat reacties op ongeconditioneerde aversieve stimuli medieert en omvat central gray,
medial hypothalamus, en amygdala.
Angst reflecteert individuele verschillen in behavioral inhibition system (BIS): defensief motiverend
systeem waaraan hoge neuroticisme en, in mindere mate, lage extraversie bijdragen als activators. BIS
gemedieerd door noradrenerge en serotonerge paden door het septohippocampal systeem en gerelateerde
structuren, consistent met hersengebied meest geassocieerd met anticiperende, geconditioneerde angst voor
contextuele stimuli.