HOOFDSTUK 8: ZINTUIGEN BLZ. 293 – 324
LEERDOELEN
De drie soorten zenuwcellen (sensorische neuronen, motorische neuronen en
schakelneuronen) beschrijven en daarbij de relatie uitleggen met het bewegingsstelsel en
zintuigen en zintuigelijke waarneming (kou, pijn, angst).
Aangeven welke vijf zintuigen (gehoor, gezichtsvermogen, reukzin, smaakzin, tastzin) worden
onderscheiden, wat de functie en de werking is.
8.1 – SENSOREN
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN
Transductie
Sensoren zijn in staat verschillende vormen van energie om te zetten in elektrische
energie in de vorm van een verandering in het membraanpotentiaal (sensorpotentiaal).
Iedere sensor is in staat om maar 1 vorm van energie om te zetten
Generatorpotentiaal
Wanneer het sensormembraan voldoende gedepolariseerd is om een actiepotentiaal op
te wekken waarbij het analoge signaal van de generatorpotentiaal omgezet wordt naar
het digitale signaal van een zenuwvezel: wel/niet actiepotentiaal
Subliminale prikkels: Prikkels die niet tot een actiepotentiaal leiden
Adequate prikkel:
Zintuigcellen zijn gevoelig voor specifieke prikkels, toch kan een niet-adequate prikkel
voor prikkeling van een bepaald zintuig zorgen.
Onderscheidingsdrempel
Het minimale verschil wat men nog kan waarnemen
Per zintuig sterk uiteenlopend
Gevoeligheid
Aandacht voor een prikkel
Wanneer de aandacht is afgeleid, is men zich van vele zintuigprikkels, die men normaal
wel zou waarnemen, niet bewust verhoging van de drempelwaarde
Filtering van irrelevante prikkels in de thalamus
Adaptatievermogen
Aanpassingsvermogen van een zintuig aan veranderde omstandigheden
Positieve adaptatie: het aanpassen van een zwakke prikkel
Negatieve adaptatie: het aanpassen van een sterkte prikkel
CHEMOSENSOREN (8.1.1)
Gevoelig voor chemische stoffen
REUKZINTUIG
In het reukslijmvlies, dat ligt boven in de linker- en rechterneusholte op de bovenste
concha en op het deel van het septum nasi dat er tegenover ligt.
Bevat zowel reukzintuigcellen (dunne, langgerekte cellen met zeer fijn ciliën die uitsteken in
het slijmlaagje dat het reukepitheel bedekt) als steuncellen
Fila olfactoria bevinden zich aan de andere zijde van het reukzintuig en vormen samen de
nervus olfacotorius (I). I staat in verbinding met bulbus olfacorius in de schedelholte die
het begint vormt van de tractus olfactorius die rechtstreeks naar het reukcentrum in het
cerebrum loopt.
F UNCTIE
Ruiken van gasvormige stoffen. Wel moeten de stoffen wateroplosbaar (o.a. ammoniak,
zoutzuur) zijn om tot de ciliën te kunne doordringen
Beïnvloed de smaakgewaarwording
Waarschuwt tegen schadelijke invloeden
SMAAKZINTUIG
Vooral op de tong en in het palatum molle
Prikkeling door wateroplosbare stoffen
Liggen vooral op de tong in smaakbekers en smaakpapillen
Smaakbekers bevatten:
Pagina 1 van 7