Hun of hen ⁴
Wanneer gebruik je hun?
• Als het een bezittelijk voornaamwoord is.
We hebben hun eisen ingewilligd.
Als ze morgen komen, hebben we hun spullen keurig ingepakt.
• Als het een meewerkend voorwerp is.
Vaak is het meewerkend voorwerp te vervangen door aan hen, soms door voor hen en bij hen.
Ze schrijft hun een brief (ze schrijft aan hen een brief).
Dat komt hun goed uit (dat komt voor hen goed uit).
Hij speldde hun een medaille op (hij speldde bij hen een medaille op).
Wanneer gebruik je hen?
• Na een voorzetsel.
Voorzetsels zijn: voor, op, tegen, bij, in, enz.
Ik speel vanavond tegen hen een wedstrijdje darts.
Voor hen ga ik door het vuur.
• Als het een lijdend voorwerp is.
Ze werden kwaad, omdat ik hen pestte. (Wie pestte ik? hen = lijdend voorwerp).
Bepaalde werkwoorden hebben altijd een meewerkend voorwerp (hun) bij zich.
Bijvoorbeeld: mankeren, gunnen, e.d.
Wat mankeert hun?
Wat staat hun te wachten?
Het gaat hier dus niet om een lijdend voorwerp.
Wanneer gebruik je hun?
• Als het een bezittelijk voornaamwoord is.
We hebben hun eisen ingewilligd.
Als ze morgen komen, hebben we hun spullen keurig ingepakt.
• Als het een meewerkend voorwerp is.
Vaak is het meewerkend voorwerp te vervangen door aan hen, soms door voor hen en bij hen.
Ze schrijft hun een brief (ze schrijft aan hen een brief).
Dat komt hun goed uit (dat komt voor hen goed uit).
Hij speldde hun een medaille op (hij speldde bij hen een medaille op).
Wanneer gebruik je hen?
• Na een voorzetsel.
Voorzetsels zijn: voor, op, tegen, bij, in, enz.
Ik speel vanavond tegen hen een wedstrijdje darts.
Voor hen ga ik door het vuur.
• Als het een lijdend voorwerp is.
Ze werden kwaad, omdat ik hen pestte. (Wie pestte ik? hen = lijdend voorwerp).
Bepaalde werkwoorden hebben altijd een meewerkend voorwerp (hun) bij zich.
Bijvoorbeeld: mankeren, gunnen, e.d.
Wat mankeert hun?
Wat staat hun te wachten?
Het gaat hier dus niet om een lijdend voorwerp.