Belangrijke begrippen, ontwikkelingspsychologie, leerjaar 1 blok 2.
Hoofdstuk 1; terreinverkenning.
Longitudinale onderzoeksmethode; het gedrag in de lengte van de jaren opvolgen uit een
bepaalde generatie.
Transversale methode; op een en hetzelfde moment verschillende groepen mensen uit
verschillende generaties opvolgen.
Cohorteffecten; een groep mensen die tot eenzelfde generatie behoren.
Tijdseffecten; vertekeningen die toe te wijten zijn aan toevallige gebeurtenissen die zich
voordeden in de specifieke periode waarin de meting plaatsvond.
Sequentiële onderzoeksmethode; verschillende groepen mensen die meerdere keren
onderzocht worden.
Continuïteit; de ontwikkeling loopt synchroon.
Discontinuïteit; stabiele periodes van de ontwikkeling worden afgewisseld door relatief korte
overgangsfasen.
Trapmodel; de levensloop wordt uitgetekend als een opeenvolging van fasen die eerst naar
een top leiden en vervolgens afdalen tot aan de dood.
Lijnmodel; de ontwikkeling is een proces van continue verandering.
Gelaagde model; de opeenvolgende levensfasen worden gezien als het resultaat van een
reeks toevallige gebeurtenissen die elkaar in het verleden hebben opgevolgd.
Normatieve invloeden; verwijst naar vele factoren die bij de meeste mensen ongeveer
dezelfde impact hebben en die daardoor makkelijk aanleiding geven tot het uittekenen van
een gemiddeld ontwikkelingspatroon. Het kan dan later als een norm gehanteerd worden om
iemand ontwikkeling aan af te meten.
Non- normatieve invloeden; dit kan je leven af en toe een aparte wending geven, waardoor
het moeilijker wordt om een algemeen patroon te tekenen.
Erfelijkheid; of terwijl DNA. Krijg je mee van je ouders.
Microsysteem; rechtstreekse contactpersonen.
Mesosysteem; invloeden die voortkomen uit de interacties tussen sommige personen uit het
microsysteem.
Exosysteem; kenmerken van de subcultuur. Komt het individu niet rechtstreeks mee in
contact.
Macrosysteem; eigenschappen van de cultuur of samenleving.
Chronosysteem; invloed van het tijdsverloop. Veranderingen in sommige omgevingsfactoren.
Hoofdstuk 1; terreinverkenning.
Longitudinale onderzoeksmethode; het gedrag in de lengte van de jaren opvolgen uit een
bepaalde generatie.
Transversale methode; op een en hetzelfde moment verschillende groepen mensen uit
verschillende generaties opvolgen.
Cohorteffecten; een groep mensen die tot eenzelfde generatie behoren.
Tijdseffecten; vertekeningen die toe te wijten zijn aan toevallige gebeurtenissen die zich
voordeden in de specifieke periode waarin de meting plaatsvond.
Sequentiële onderzoeksmethode; verschillende groepen mensen die meerdere keren
onderzocht worden.
Continuïteit; de ontwikkeling loopt synchroon.
Discontinuïteit; stabiele periodes van de ontwikkeling worden afgewisseld door relatief korte
overgangsfasen.
Trapmodel; de levensloop wordt uitgetekend als een opeenvolging van fasen die eerst naar
een top leiden en vervolgens afdalen tot aan de dood.
Lijnmodel; de ontwikkeling is een proces van continue verandering.
Gelaagde model; de opeenvolgende levensfasen worden gezien als het resultaat van een
reeks toevallige gebeurtenissen die elkaar in het verleden hebben opgevolgd.
Normatieve invloeden; verwijst naar vele factoren die bij de meeste mensen ongeveer
dezelfde impact hebben en die daardoor makkelijk aanleiding geven tot het uittekenen van
een gemiddeld ontwikkelingspatroon. Het kan dan later als een norm gehanteerd worden om
iemand ontwikkeling aan af te meten.
Non- normatieve invloeden; dit kan je leven af en toe een aparte wending geven, waardoor
het moeilijker wordt om een algemeen patroon te tekenen.
Erfelijkheid; of terwijl DNA. Krijg je mee van je ouders.
Microsysteem; rechtstreekse contactpersonen.
Mesosysteem; invloeden die voortkomen uit de interacties tussen sommige personen uit het
microsysteem.
Exosysteem; kenmerken van de subcultuur. Komt het individu niet rechtstreeks mee in
contact.
Macrosysteem; eigenschappen van de cultuur of samenleving.
Chronosysteem; invloed van het tijdsverloop. Veranderingen in sommige omgevingsfactoren.