H2 Chemical components of cells
Dalton= atomische massa ongeveer gelijk aan de massa van een waterstofatoom
In levende organismen: 96% van het gewicht, 99% van aantal atomen C, H, N en O
2 typen chemische bindingen:
Covalente binding: elektron wordt gedeeld door 2 atomen
Ion-binding: elektronen worden van ene op andere atoom overgegeven positief+ negatief
ion zout, in water losse ionen
Positief geladen ion= cation
Negatief geladen ion= anion
Molecuul= cluster atomen bij elkaar gehouden door covalente bindingen
Covalente binding met 2 gedeelde elektronen (één van elke atoom)= enkele binding
Dubbele binding= 4 elektronen gedeeld: 2 van elk atoom korter en sterker, minder flexibel: rotatie
niet mogelijk
Polaire covalente binding= covalente binding die elektronen ongelijk delen
Bindingssterkte= hoeveelheid energie nodig bij verbreken van de binding (1kcal=4,2kJ)
Non-covalente bindingen:
Ion-binding: elektrostatische binding
Ook elektrostatische binding bij polaire covalente binding
Waterstofbrug
Zuur: H3O+
Base: OH-
pH schaal is logaritmisch
Buffer= mix van zwakke zuren en basen die de pH neutraal kunnen houden door protonen op te
nemen of af te staan
Organische moleculen: bevatten koolstof
Alle andere moleculen zijn anorganisch
De cel bevat 4 grote families kleine organische moleculen:
Suikers
Vetzuren
Aminozuren
Nucleotiden
Ze vormen monomeren voor grotere organische moleculen/ suikers+vetzuren zijn energiebronnen
Monosachariden (CH2O)n met n= 3, 4, 5, 6
Suikers gemaakt van monosachariden worden koolhydraten genoemd
Isomeren= moleculen met dezelfde chemische formule maar verschillende structuren
Optische isomeren= gespiegelde isomeren
2 monosachariden disachariden
Grotere suikerpolymeren 2-10 oligosachariden
Duizenden monomeren polysachariden
Condensatiereactie= reactie waarbij water afsplitst bij vorming van de binding
Hydrolyse= reactie waarbij water wordt gebruikt om binding te verbreken
Oligosachariden kunnen binden aan eiwitten of vetten glycoproteïnen/ glycolipiden
In celmembraan: bescherming van oppervlakte cel/ cellen onderling kleven
Moleculen zoals vetzuren die zowel hydrofiel als hydrofoob zijn: amfipathisch
Verzadigd vet= het bevat geen dubbele bindingen tussen koolstofatomen
Onverzadigd vet= één of meer dubbele bindingen
Dichtheid van vetzuren in celmembraan bepaalt vloeibaarheid van het membraan
Dalton= atomische massa ongeveer gelijk aan de massa van een waterstofatoom
In levende organismen: 96% van het gewicht, 99% van aantal atomen C, H, N en O
2 typen chemische bindingen:
Covalente binding: elektron wordt gedeeld door 2 atomen
Ion-binding: elektronen worden van ene op andere atoom overgegeven positief+ negatief
ion zout, in water losse ionen
Positief geladen ion= cation
Negatief geladen ion= anion
Molecuul= cluster atomen bij elkaar gehouden door covalente bindingen
Covalente binding met 2 gedeelde elektronen (één van elke atoom)= enkele binding
Dubbele binding= 4 elektronen gedeeld: 2 van elk atoom korter en sterker, minder flexibel: rotatie
niet mogelijk
Polaire covalente binding= covalente binding die elektronen ongelijk delen
Bindingssterkte= hoeveelheid energie nodig bij verbreken van de binding (1kcal=4,2kJ)
Non-covalente bindingen:
Ion-binding: elektrostatische binding
Ook elektrostatische binding bij polaire covalente binding
Waterstofbrug
Zuur: H3O+
Base: OH-
pH schaal is logaritmisch
Buffer= mix van zwakke zuren en basen die de pH neutraal kunnen houden door protonen op te
nemen of af te staan
Organische moleculen: bevatten koolstof
Alle andere moleculen zijn anorganisch
De cel bevat 4 grote families kleine organische moleculen:
Suikers
Vetzuren
Aminozuren
Nucleotiden
Ze vormen monomeren voor grotere organische moleculen/ suikers+vetzuren zijn energiebronnen
Monosachariden (CH2O)n met n= 3, 4, 5, 6
Suikers gemaakt van monosachariden worden koolhydraten genoemd
Isomeren= moleculen met dezelfde chemische formule maar verschillende structuren
Optische isomeren= gespiegelde isomeren
2 monosachariden disachariden
Grotere suikerpolymeren 2-10 oligosachariden
Duizenden monomeren polysachariden
Condensatiereactie= reactie waarbij water afsplitst bij vorming van de binding
Hydrolyse= reactie waarbij water wordt gebruikt om binding te verbreken
Oligosachariden kunnen binden aan eiwitten of vetten glycoproteïnen/ glycolipiden
In celmembraan: bescherming van oppervlakte cel/ cellen onderling kleven
Moleculen zoals vetzuren die zowel hydrofiel als hydrofoob zijn: amfipathisch
Verzadigd vet= het bevat geen dubbele bindingen tussen koolstofatomen
Onverzadigd vet= één of meer dubbele bindingen
Dichtheid van vetzuren in celmembraan bepaalt vloeibaarheid van het membraan