Hoofdstuk 9 verbintenissen uit de wet
Bij verbintenissen uit de wet ontstaat een rechtsgevolg niet op grond van iemands wil, maar op grond
van een feitelijke handeling.
1. De onrechtmatige daad
Het basisartikel over de onrechtmatige daad is art. 6:162 BW. Het rechtsgevolg van een
onrechtmatige daad staat in het eerste lid. Er zijn twee categorieën schadegevallen die buiten het
bereik van art. 6:162 BW blijven:
1. De schade die men aan zijn zaken lijdt door eigen toedoen en;
2. De schade die ontstaat bij de nakoming van een overeenkomst (dit is een wanprestatie)
Een ORD is een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijk plicht of
ongeschreven recht. Vier vereisten voor een ORD:
1. Onrechtmatigheid;
2. Toerekening aan de dader;
3. Causaal verband tussen daad en schade en;
4. Schade
2. Onrechtmatig
2.2 Drie onrechtmatigheidscriteria
Lid 2 6:162 BW beschrijft 3 vormen van onrechtmatigheid afgeleid uit het Lindenbaum-Cohen-arrest:
a. een inbreuk op een recht;
Met een recht wordt het subjectieve recht van een ander bedoeld. Dat zijn in elk geval alle zakelijke
rechten, in het bijzonder het eigendomsrecht. Maar ook een inbreuk op een grondrecht.
b. een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht;
Onder wettelijk worden alle wetten in materiele zin verstaan. In de praktijk vaak het plegen van een
strafbaar feit betreft. Degene die een strafbaar feit met schade pleegt, kan niet alleen strafrechtelijk
worden vervolgd, maar ook op grond van art. 6:162 BW.
c. een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk
verkeer betaamt
Dit is erg abstract geformuleerd, hierbij worden vaak zorgvuldigheidsnormen gehanteerd. Het hangt
van de inhoud van deze normen af of in een concreet geval door de rechter onrechtmatigheid wordt
aangenomen. Bij de zorgvuldigheidsnormen wordt gekeken naar de zogenoemde gevaarzetting, en
dat in de afweging van belangen tussen pleger en benadeelde.
4 criteria voor gevaarzetting:
- de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer het gevaar niet (tijdig) onderkent
- de kans op een ongeval
- de ernst van de mogelijke gevolgen
- de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen
Bij verbintenissen uit de wet ontstaat een rechtsgevolg niet op grond van iemands wil, maar op grond
van een feitelijke handeling.
1. De onrechtmatige daad
Het basisartikel over de onrechtmatige daad is art. 6:162 BW. Het rechtsgevolg van een
onrechtmatige daad staat in het eerste lid. Er zijn twee categorieën schadegevallen die buiten het
bereik van art. 6:162 BW blijven:
1. De schade die men aan zijn zaken lijdt door eigen toedoen en;
2. De schade die ontstaat bij de nakoming van een overeenkomst (dit is een wanprestatie)
Een ORD is een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijk plicht of
ongeschreven recht. Vier vereisten voor een ORD:
1. Onrechtmatigheid;
2. Toerekening aan de dader;
3. Causaal verband tussen daad en schade en;
4. Schade
2. Onrechtmatig
2.2 Drie onrechtmatigheidscriteria
Lid 2 6:162 BW beschrijft 3 vormen van onrechtmatigheid afgeleid uit het Lindenbaum-Cohen-arrest:
a. een inbreuk op een recht;
Met een recht wordt het subjectieve recht van een ander bedoeld. Dat zijn in elk geval alle zakelijke
rechten, in het bijzonder het eigendomsrecht. Maar ook een inbreuk op een grondrecht.
b. een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht;
Onder wettelijk worden alle wetten in materiele zin verstaan. In de praktijk vaak het plegen van een
strafbaar feit betreft. Degene die een strafbaar feit met schade pleegt, kan niet alleen strafrechtelijk
worden vervolgd, maar ook op grond van art. 6:162 BW.
c. een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk
verkeer betaamt
Dit is erg abstract geformuleerd, hierbij worden vaak zorgvuldigheidsnormen gehanteerd. Het hangt
van de inhoud van deze normen af of in een concreet geval door de rechter onrechtmatigheid wordt
aangenomen. Bij de zorgvuldigheidsnormen wordt gekeken naar de zogenoemde gevaarzetting, en
dat in de afweging van belangen tussen pleger en benadeelde.
4 criteria voor gevaarzetting:
- de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer het gevaar niet (tijdig) onderkent
- de kans op een ongeval
- de ernst van de mogelijke gevolgen
- de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen