Ontwikkeling =
Proces van groei en verandering dat wordt bepaald door
de interactie tussen erfelijkheid en omgeving
Gaat een leven lang door.
De meeste aandacht gaat uit naar de kindertijd en adolescentie
Psychologie =
Wetenschap van gedrag en mentale processen
Ontwikkelingspsychologie =
Bestudeert de psychologische veranderingen bij toenemende leeftijd.
Pedagogiek =
De wetenschap van het opvoeden
Letterlijk: kinderleiding (Oud Grieks: Paidagoogia)
Opvoeden =
Het process waarin een kind wordt gevormd naar de normen en waarden van de opvoeders
en de samenleving.
3 krachten van ontwikkeling:
Nature = Factoren die AANGEBOREN zijn (door aanleg/genen
“De aard van het beestje”
Nurture = Factoren die AANGELEERD zijn (door sociale omgeving, opvoeding
“De mens is maakbaar”
Rijping = Veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en waarop
omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
Continue verandering =
Geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau voortvloeien uit die van
de vorige niveaus. Continue verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering =
Ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief anders
is dan gedrag in eerdere stadia.
, ‘Psyche’ = ‘geest’ > ons denken, voelen en gedrag.
‘Sociaal’ > onze interactie met andere mensen.
Psychosociaal functioneren
Hoe functioneer je in relatie tot anderen, vrienden, familie en buren? Welke rol neem je in
binnen je gezin, school of werk? Hoe zie jij je plek in de samenleving?
Opgroeien en ouder worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan veranderende
vermogens én verwachtingen van anderen
Erik Erikson’s theorie van de psychosociale ontwikkeling (1963)
Mensen doorlopen 8 levensfasen, van babytijd tot ouderdom
Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die typisch is voor díe
fase.
Als die taak onopgelost blijft of negatief afgesloten, loopt de ontwikkeling vast.
Ontwikkelingstaken zijn worstelingen tussen twee uitersten, met een + of – uitkomst:
Waarom moet je als sociaal werker kennis hebben van de adolescentie?
Belangrijk te kunnen onderscheiden wanneer problematiek onderdeel is van een gezond
ontwikkelingsproces en wanneer niet.
Belangrijk risicofactoren in kaart te kunnen brengen in verband met de levensfase.
Je moet je hulpverleningsplan kunnen afstemmen op levensfase.
Biologische veranderingen: puberteit
Hormonale turbulentie
Relativering: ook volwassenen hebben stemmingsschommelingen. Adolescenten hebben heftige,
periodieke uitschieters
Groeispurt, lichamelijke processen die leiden tot vruchtbaarheid
Uiterlijk als bron van onzekerheid
Omgaan met seksuele verlangens en verliefdheid
Adolescenten gebruiken hun omgeving bij het vormen van hun identiteit dit doen ze door:
Identificatie met een rolmodel
Experimenteren met kleding, vriendschap, seks, muziek, alcohol/drugs
Autonomie
Proces van groei en verandering dat wordt bepaald door
de interactie tussen erfelijkheid en omgeving
Gaat een leven lang door.
De meeste aandacht gaat uit naar de kindertijd en adolescentie
Psychologie =
Wetenschap van gedrag en mentale processen
Ontwikkelingspsychologie =
Bestudeert de psychologische veranderingen bij toenemende leeftijd.
Pedagogiek =
De wetenschap van het opvoeden
Letterlijk: kinderleiding (Oud Grieks: Paidagoogia)
Opvoeden =
Het process waarin een kind wordt gevormd naar de normen en waarden van de opvoeders
en de samenleving.
3 krachten van ontwikkeling:
Nature = Factoren die AANGEBOREN zijn (door aanleg/genen
“De aard van het beestje”
Nurture = Factoren die AANGELEERD zijn (door sociale omgeving, opvoeding
“De mens is maakbaar”
Rijping = Veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en waarop
omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
Continue verandering =
Geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau voortvloeien uit die van
de vorige niveaus. Continue verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering =
Ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief anders
is dan gedrag in eerdere stadia.
, ‘Psyche’ = ‘geest’ > ons denken, voelen en gedrag.
‘Sociaal’ > onze interactie met andere mensen.
Psychosociaal functioneren
Hoe functioneer je in relatie tot anderen, vrienden, familie en buren? Welke rol neem je in
binnen je gezin, school of werk? Hoe zie jij je plek in de samenleving?
Opgroeien en ouder worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan veranderende
vermogens én verwachtingen van anderen
Erik Erikson’s theorie van de psychosociale ontwikkeling (1963)
Mensen doorlopen 8 levensfasen, van babytijd tot ouderdom
Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die typisch is voor díe
fase.
Als die taak onopgelost blijft of negatief afgesloten, loopt de ontwikkeling vast.
Ontwikkelingstaken zijn worstelingen tussen twee uitersten, met een + of – uitkomst:
Waarom moet je als sociaal werker kennis hebben van de adolescentie?
Belangrijk te kunnen onderscheiden wanneer problematiek onderdeel is van een gezond
ontwikkelingsproces en wanneer niet.
Belangrijk risicofactoren in kaart te kunnen brengen in verband met de levensfase.
Je moet je hulpverleningsplan kunnen afstemmen op levensfase.
Biologische veranderingen: puberteit
Hormonale turbulentie
Relativering: ook volwassenen hebben stemmingsschommelingen. Adolescenten hebben heftige,
periodieke uitschieters
Groeispurt, lichamelijke processen die leiden tot vruchtbaarheid
Uiterlijk als bron van onzekerheid
Omgaan met seksuele verlangens en verliefdheid
Adolescenten gebruiken hun omgeving bij het vormen van hun identiteit dit doen ze door:
Identificatie met een rolmodel
Experimenteren met kleding, vriendschap, seks, muziek, alcohol/drugs
Autonomie