Inhoudsopgave
H8: Stellen (domein 6) .................................................................................................................................... 2
H8.1: Functies van het schrijven ......................................................................................................................... 2
H8.2: Het schrijfproces ....................................................................................................................................... 2
H8.3: Schrijven op de computer ......................................................................................................................... 3
H8.4: Hoe gebruik je kennis van het schrijfproces? ............................................................................................ 3
H9: Jeugdliteratuur (domein 7) ....................................................................................................................... 4
H9.1: Literaire genres ......................................................................................................................................... 4
H9.2: Functies van jeugdliteratuur ..................................................................................................................... 5
H9.3: Beoordelen van jeugdliteratuur ................................................................................................................ 5
H9.4: Hoe gebruik je kennis van jeugdliteratuur? .............................................................................................. 6
H10: Taalbeschouwing (domein 8).................................................................................................................. 6
H10.1: Het taalsysteem ...................................................................................................................................... 6
H10.1.1: Fonologie ........................................................................................................................................ 6
H10.1.2: Morfologie ...................................................................................................................................... 7
H10.1.3: Syntaxis ........................................................................................................................................... 7
H10.1.4: Semantiek ....................................................................................................................................... 9
H10.1.5: Pragmatiek ...................................................................................................................................... 9
H10.1.6: Orthografie ..................................................................................................................................... 9
H10.2: Taalvariatie ........................................................................................................................................... 10
H10.3: Taalverandering.................................................................................................................................... 10
H10.4: Taalbeschouwingsstrategieën .............................................................................................................. 10
H10.5: Hoe gebruik je de kennis van taalbeschouwing? .................................................................................. 11
, H8: Stellen (domein 6)
H8.1: Functies van het schrijven
Bij het schrijven van een tekst, zijn drie functies belangrijk:
1. Communicatieve functie
= iets aan iemand duidelijk maken, je wilt informatie overbrengen, iets uitleggen of je
mening geven (je schrijft de tekst voor een ander).
2. Conceptualiserende functie
= je gedachten, gevoelens of ervaringen op papier ordenen in schema’s, steekwoorden of
zinnen (je schrijft de tekst voor jezelf).
3. Expressieve functie
= om te experimenteren met de taal, je gevoelens te uiten of een tekst te schrijven op een
manier dat nog niemand heeft gedaan. De taal is al een doel op zichzelf (schrijven als middel
om de taal te verkennen en ontwikkelen).
H8.2: Het schrijfproces
Om een tekst te schrijven, moet je kennis hebben over het onderwerp, het taalsysteem
(woordgebruik, zinsopbouw, spelling), het retorisch systeem (tekstsoort, stijl,
doelgerichtheid, publiekgerichtheid) en de schrijfprocedures.
Stappen van een schrijfproces (ook wel Schrijfstrategieën
stelvaardigheden genoemd)
Plannen van het doel van de tekst, het - Oriënteren op het onderwerp
publiek dat het gaat lezen en de soort waarover je gaat schrijven.
tekst* die je wilt schrijven. - Bepalen waarom je deze tekst
schrijft, voor wie je het schrijft en
welke tekstsoort* daar geschikt voor
is.
Inhoudelijk verzamelen van informatie, Verzamelen, selecteren en ordenen van
selecteren en ordenen. informatie over het onderwerp.
Structureren** van de tekst Afbakenen van het onderwerp.
Formuleren, het verwoorden van de De gevonden informatie ordenen en
inhoud; je zet ideeën, ervaringen, opschrijven met de juiste woorden en
gewaarwordingen, emoties en beelden om formuleringen.
in woorden.
Reviseren, het herlezen van je eigen tekst; Reviseren en verzorgen van de geschreven
het kritisch beoordelen van een tekst. Zal tekst.
de lezen begrijpen wat je ermee bedoeld, is
de opbouw van de tekst in orde, sluiten de
zinnen goed op elkaar aan?
Verzorgen, een duidelijke indeling in Reviseren en verzorgen van de geschreven
paragrafen en alinea’s, het gebruik van tekst.
afbeeldingen, het gebruik van verschillende
lettertypes of de duidelijkheid van het
handschrift.
2