1.1 t/m 1.3
vermogen is het geheel van op geld waardeerbare rechten en verplichtingen die iemand
heeft, dus het geheel van zijn activa en passiva. Ook schulden behoren tot het vermogen.
Het objectieve recht is het geldende recht: de binnen een bepaald rechtsgebied op een
bepaald tijdstip geldende regels. Een subjectief recht is een aan iemand toekomende
bevoegdheid.
2.1
de eigenaar is met uitsluiting van anderen gerechtigd om over de zaak te beschikken. Naast
het vrije genot komt de eigenaar met uitsluiting van een ieder het recht toe om over zijn zaak
te beschikken. Hij kan alleen een ander tot eigenaar van die zaak maken.
De eigenaar kan zijn recht handhaven tegenover derden die hem de rechtmatige uitoefening
van zijn recht beletten. Het recht van de eigenaar heeft dus absolute werking. art. 5:2 BW
geeft de eigenaar de bevoegdheid de zaak van een ieder die haar zonder recht houdt op te
eisen (bijv. bij diefstal). Dit heet ook wel revindicatie. Een andere toepassing van de regel dat
het recht van de eigenaar tegen iedereen werkt, is dat de eigenaar zijn zaak ook als zijn
eigendom kan opeisen indien zij zich onder een failliet bevindt. Het recht van de eigenaar is
een vermogensrecht. Art. 3:6 is hierbij belangrijk, zegt wat precies een vermogensrecht is >
overdraagbaarheid: vermogensrecht kan desgewenst aan iemand anders overgedragen
worden. En het strekt ertoe de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen. Als laatste
eis in 3:6 staat er dat het is verkregen in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld
stoffelijk voordeel.
Bij een vorderingsrecht heeft de schuldeiser recht op een door de schuldenaar te verrichten
prestatie. Object van een vorderingsrecht is altijd een prestatie.
2.3 t/m 2.5
elke rechthebbende heeft op een goed een absoluut vermogensrecht met betrekking tot dat
goed, waarbij goed zowel een zaak als een vermogensrecht kan zijn. daarnaast
concludeerden we dat ook een op een goed rustend beperkt recht een absoluut karakter
kent.
Vermogensrecht kan je onderverdelen in absoluut en in relatief of persoonlijk. Absoluut kan
je weer onderverdelen in zakelijke rechten (object zaak art. 3:2) / vruchtgebruik, hypotheek,
pand op rechten (object vermogensrecht) / rechten op immateriële goederen (object
immaterieel goed).
3.1 t/m 3.5
je kan op 2 wijzen goederen verkrijgen: onder algemene titel en onder bijzondere titel.
Verkrijging onder algemene titel: opvolging in een vermogen. De verkrijger volgt een ander
op in een geheel of (evenredig) deel van een vermogen. Je kan op 4 manieren verkrijgen
onder algemene titel hebben, art. 3:80 lid 2 BW: erfopvolging, boedelmenging (sluiten van
een huwelijk of GP), fusie en splitsing.
Verkrijging onder bijzondere titel: verwerving van 1 of meer bepaalde goederen. Er is geen
sprake van opvolging in een geheel of evenredig deel van het vermogen. Het is de
verwerving van een bepaald goed, een actief vermogensbestanddeel. Art. 3:80 lid 3: kan
onder andere door middel van overdracht, verjaring en onteigening.
Een beperkt recht op een goed werkt tegen iedereen en dus ook tegen verkrijgers onder
bijzondere titel van het goed waarop het drukt. Een persoonlijk recht werk slechts tussen
partijen, daaronder verkrijgers onder algemene titel begrepen.
vermogen is het geheel van op geld waardeerbare rechten en verplichtingen die iemand
heeft, dus het geheel van zijn activa en passiva. Ook schulden behoren tot het vermogen.
Het objectieve recht is het geldende recht: de binnen een bepaald rechtsgebied op een
bepaald tijdstip geldende regels. Een subjectief recht is een aan iemand toekomende
bevoegdheid.
2.1
de eigenaar is met uitsluiting van anderen gerechtigd om over de zaak te beschikken. Naast
het vrije genot komt de eigenaar met uitsluiting van een ieder het recht toe om over zijn zaak
te beschikken. Hij kan alleen een ander tot eigenaar van die zaak maken.
De eigenaar kan zijn recht handhaven tegenover derden die hem de rechtmatige uitoefening
van zijn recht beletten. Het recht van de eigenaar heeft dus absolute werking. art. 5:2 BW
geeft de eigenaar de bevoegdheid de zaak van een ieder die haar zonder recht houdt op te
eisen (bijv. bij diefstal). Dit heet ook wel revindicatie. Een andere toepassing van de regel dat
het recht van de eigenaar tegen iedereen werkt, is dat de eigenaar zijn zaak ook als zijn
eigendom kan opeisen indien zij zich onder een failliet bevindt. Het recht van de eigenaar is
een vermogensrecht. Art. 3:6 is hierbij belangrijk, zegt wat precies een vermogensrecht is >
overdraagbaarheid: vermogensrecht kan desgewenst aan iemand anders overgedragen
worden. En het strekt ertoe de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen. Als laatste
eis in 3:6 staat er dat het is verkregen in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld
stoffelijk voordeel.
Bij een vorderingsrecht heeft de schuldeiser recht op een door de schuldenaar te verrichten
prestatie. Object van een vorderingsrecht is altijd een prestatie.
2.3 t/m 2.5
elke rechthebbende heeft op een goed een absoluut vermogensrecht met betrekking tot dat
goed, waarbij goed zowel een zaak als een vermogensrecht kan zijn. daarnaast
concludeerden we dat ook een op een goed rustend beperkt recht een absoluut karakter
kent.
Vermogensrecht kan je onderverdelen in absoluut en in relatief of persoonlijk. Absoluut kan
je weer onderverdelen in zakelijke rechten (object zaak art. 3:2) / vruchtgebruik, hypotheek,
pand op rechten (object vermogensrecht) / rechten op immateriële goederen (object
immaterieel goed).
3.1 t/m 3.5
je kan op 2 wijzen goederen verkrijgen: onder algemene titel en onder bijzondere titel.
Verkrijging onder algemene titel: opvolging in een vermogen. De verkrijger volgt een ander
op in een geheel of (evenredig) deel van een vermogen. Je kan op 4 manieren verkrijgen
onder algemene titel hebben, art. 3:80 lid 2 BW: erfopvolging, boedelmenging (sluiten van
een huwelijk of GP), fusie en splitsing.
Verkrijging onder bijzondere titel: verwerving van 1 of meer bepaalde goederen. Er is geen
sprake van opvolging in een geheel of evenredig deel van het vermogen. Het is de
verwerving van een bepaald goed, een actief vermogensbestanddeel. Art. 3:80 lid 3: kan
onder andere door middel van overdracht, verjaring en onteigening.
Een beperkt recht op een goed werkt tegen iedereen en dus ook tegen verkrijgers onder
bijzondere titel van het goed waarop het drukt. Een persoonlijk recht werk slechts tussen
partijen, daaronder verkrijgers onder algemene titel begrepen.