Maatschappijwetenschappen – Samenvatting hoofdstuk 3 – Erinn de Bok
3.1 Cultuur & 3.2 Nature-nurture
− Je kunt uitleggen dat cultuur bestaat uit immateriële waarden, materiële
uitdrukkingsvormen en normen.
− Je kunt uitleggen dat de Nederlandse samenleving gevormd wordt door een samenspel
tussen de dominante cultuur en subculturen.
− Je kunt uitleggen wat het nature-nurture-debat inhoudt.
Een cultuur bestaat uit elementen die mensen met elkaar delen en doorgeven aan de volgende
generatie. De elementen zijn:
Wat mensen in hun hoofd meedragen:
− Waarden: idealen (gelijkheid, etc.)
− Opvattingen: ideeën die passen in een groter geheel van opvattingen.
− Voorstellingen: beelden, ideeën en verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis.
Wat je aan de buitenkant kunt zien of merken:
− Uitdrukkingsvormen: bijvoorbeeld een symbool als een kruis (voor christenen) of
Nederlandse klompen. Dit zijn materiële aspecten van cultuur.
En hoe hun gedrag geregeld wordt:
− Normen: regels die horen bij waarden. Mensen hebben hun eigen normen waar ze zich aan
houden.
− Instituties: een geheel aan gedragsregels die het gedrag van mensen beperken (formeel).
Materiële aspecten van cultuur zijn tastbaar en concreet, bijvoorbeeld symbolen en taal. Maar ook
gebouwen, producten, gebruiksvoorwerpen en kunst. Immateriële aspecten van cultuur zijn de
zaken die je niet meteen ziet, maar die wel belangrijk zijn voor mensen en hun gedrag, bijvoorbeeld
de instituties van een samenleving. Alle elementen van cultuur worden door middel van socialisatie
overgedragen aan de volgende generatie, maar cultuur is wel veranderlijk. Culturen zijn relatief en
plaats- en tijdgebonden.
Er is een verschil tussen dominante cultuur en subculturen. Dominante culturen zijn elementen in
een cultuur die op het gebied van taal, politiek, recht en economie het meest gemeengoed zijn.
Subculturen zijn kleinere culturen die passen in de dominante cultuur. Iedereen zit in grotere
subculturen, zoals je provincie of regio, maar ook kleinere subculturen, zoals je sportclub.
Immigranten hebben een tussencultuur, waarin generaties de oude cultuur steeds meer verdringen
door de nieuwe dominante cultuur. Ze dragen hun originele cultuur in hun hoofd mee terwijl ze
elementen van de nieuwe cultuur aanleren. Mensen die niet bij de dominante cultuur willen horen
vormen een tegencultuur. Deze mensen zetten zich af tegen belangrijke waarden van de dominante
cultuur.
Ieder mens wordt geboren met unieke eigenschappen, zoals een vingerafdruk. Deze zijn aangeboren
en worden nature genoemd. Dit kan zijn dat je kunt praten, maar ook een aangeboren afwijking.
Aangeleerd gedrag heet nurture en heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en
leeft. De cultuur is van invloed op wat iemand aanleert en afleert en wanner en hoe dit gebeurt.
Of eigenschappen bepaald worden door natuur of cultuur, wordt besproken in het nature-nurture-
debat. Deze kwestie wordt al heel lang door verschillende mensen besproken. In de twintigste eeuw
besloten de behavioristen dat het meeste gedrag van mensen en dieren aangeleerd is. Menselijk
gedrag wordt dus gevormd door biologische factoren, maar voornamelijk door omgevingsfactoren.
3.1 Cultuur & 3.2 Nature-nurture
− Je kunt uitleggen dat cultuur bestaat uit immateriële waarden, materiële
uitdrukkingsvormen en normen.
− Je kunt uitleggen dat de Nederlandse samenleving gevormd wordt door een samenspel
tussen de dominante cultuur en subculturen.
− Je kunt uitleggen wat het nature-nurture-debat inhoudt.
Een cultuur bestaat uit elementen die mensen met elkaar delen en doorgeven aan de volgende
generatie. De elementen zijn:
Wat mensen in hun hoofd meedragen:
− Waarden: idealen (gelijkheid, etc.)
− Opvattingen: ideeën die passen in een groter geheel van opvattingen.
− Voorstellingen: beelden, ideeën en verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis.
Wat je aan de buitenkant kunt zien of merken:
− Uitdrukkingsvormen: bijvoorbeeld een symbool als een kruis (voor christenen) of
Nederlandse klompen. Dit zijn materiële aspecten van cultuur.
En hoe hun gedrag geregeld wordt:
− Normen: regels die horen bij waarden. Mensen hebben hun eigen normen waar ze zich aan
houden.
− Instituties: een geheel aan gedragsregels die het gedrag van mensen beperken (formeel).
Materiële aspecten van cultuur zijn tastbaar en concreet, bijvoorbeeld symbolen en taal. Maar ook
gebouwen, producten, gebruiksvoorwerpen en kunst. Immateriële aspecten van cultuur zijn de
zaken die je niet meteen ziet, maar die wel belangrijk zijn voor mensen en hun gedrag, bijvoorbeeld
de instituties van een samenleving. Alle elementen van cultuur worden door middel van socialisatie
overgedragen aan de volgende generatie, maar cultuur is wel veranderlijk. Culturen zijn relatief en
plaats- en tijdgebonden.
Er is een verschil tussen dominante cultuur en subculturen. Dominante culturen zijn elementen in
een cultuur die op het gebied van taal, politiek, recht en economie het meest gemeengoed zijn.
Subculturen zijn kleinere culturen die passen in de dominante cultuur. Iedereen zit in grotere
subculturen, zoals je provincie of regio, maar ook kleinere subculturen, zoals je sportclub.
Immigranten hebben een tussencultuur, waarin generaties de oude cultuur steeds meer verdringen
door de nieuwe dominante cultuur. Ze dragen hun originele cultuur in hun hoofd mee terwijl ze
elementen van de nieuwe cultuur aanleren. Mensen die niet bij de dominante cultuur willen horen
vormen een tegencultuur. Deze mensen zetten zich af tegen belangrijke waarden van de dominante
cultuur.
Ieder mens wordt geboren met unieke eigenschappen, zoals een vingerafdruk. Deze zijn aangeboren
en worden nature genoemd. Dit kan zijn dat je kunt praten, maar ook een aangeboren afwijking.
Aangeleerd gedrag heet nurture en heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en
leeft. De cultuur is van invloed op wat iemand aanleert en afleert en wanner en hoe dit gebeurt.
Of eigenschappen bepaald worden door natuur of cultuur, wordt besproken in het nature-nurture-
debat. Deze kwestie wordt al heel lang door verschillende mensen besproken. In de twintigste eeuw
besloten de behavioristen dat het meeste gedrag van mensen en dieren aangeleerd is. Menselijk
gedrag wordt dus gevormd door biologische factoren, maar voornamelijk door omgevingsfactoren.