Scheikunde hoofdstuk 11 ‘Redoxreacties’
§2. Reacties met elektronenoverdracht
Reacties van zure oplossingen met metalen
Een redoxreactie is een reactie waarbij elektronenoverdracht plaatsvindt. Bij een
reactie met een zuur en metaal kan een redoxreactie ontstaan. Het metaal dat dan
reageert met het zuur, komt als ion in de oplossing terecht. Vaak wordt er H+ in
plaats van H3O+ vermeld.
Redoxreacties
Een metaal kan ook reageren met een zoutoplossing. Bij deze vorm van reacties,
ontstaan er redoxreacties; er vindt elektronen overdracht plaats.
Redoxreacties kunnen worden weergeven in twee halfvergelijkingen/halfreacties. In
deze reacties worden alle toestandsaanduidingen gegeven, behalve (aq):
Oxidatiereactie: het deeltje neemt elektronen op
Cu2+ + 2e- Cu (s)
Reductiereactie: het deeltje staat de elektronen af
Zn (s) Zn2+ + 2e-
Bij het optellen van deze twee reacties, ontstaat de totaalreactie:
𝐶𝑢2+ + 2𝑒 − → 𝐶𝑢 (𝑠)
𝑍𝑛 (𝑠) → 𝑍𝑛2+ + 2𝑒 −
+
𝐶𝑢 (𝑎𝑞)+ 𝑍𝑛(𝑠)→ 𝐶𝑢(𝑠)+ 𝑍𝑛2+ (𝑎𝑞)
2+
In een totaalreactie mogen geen elektronen meer voorkomen en staan alle
toestandsaanduidingen erbij. De vergelijking is pas kloppend als naast de deeltjes ook
de ladingen voor en na de pijl gelijk zijn.
Als het niet gelijk duidelijk is welke stof de oxidator of reductor is, moet er gekeken
worden naar de lading van twee ionen. Ontstaat er een positief ion, betekent het dat
elektronen mist en die dus na de pijl opneemt: dat ion is een oxidator. Een negatief
ion na de pijl is dan de reductor.
2 Na(s) + Cl2 (g) 2 NaCl(s)
2 Na (s) 2 Na2+ + 2e-
Cl2 (g) + 2e- 2 Cl-
§2. Reacties met elektronenoverdracht
Reacties van zure oplossingen met metalen
Een redoxreactie is een reactie waarbij elektronenoverdracht plaatsvindt. Bij een
reactie met een zuur en metaal kan een redoxreactie ontstaan. Het metaal dat dan
reageert met het zuur, komt als ion in de oplossing terecht. Vaak wordt er H+ in
plaats van H3O+ vermeld.
Redoxreacties
Een metaal kan ook reageren met een zoutoplossing. Bij deze vorm van reacties,
ontstaan er redoxreacties; er vindt elektronen overdracht plaats.
Redoxreacties kunnen worden weergeven in twee halfvergelijkingen/halfreacties. In
deze reacties worden alle toestandsaanduidingen gegeven, behalve (aq):
Oxidatiereactie: het deeltje neemt elektronen op
Cu2+ + 2e- Cu (s)
Reductiereactie: het deeltje staat de elektronen af
Zn (s) Zn2+ + 2e-
Bij het optellen van deze twee reacties, ontstaat de totaalreactie:
𝐶𝑢2+ + 2𝑒 − → 𝐶𝑢 (𝑠)
𝑍𝑛 (𝑠) → 𝑍𝑛2+ + 2𝑒 −
+
𝐶𝑢 (𝑎𝑞)+ 𝑍𝑛(𝑠)→ 𝐶𝑢(𝑠)+ 𝑍𝑛2+ (𝑎𝑞)
2+
In een totaalreactie mogen geen elektronen meer voorkomen en staan alle
toestandsaanduidingen erbij. De vergelijking is pas kloppend als naast de deeltjes ook
de ladingen voor en na de pijl gelijk zijn.
Als het niet gelijk duidelijk is welke stof de oxidator of reductor is, moet er gekeken
worden naar de lading van twee ionen. Ontstaat er een positief ion, betekent het dat
elektronen mist en die dus na de pijl opneemt: dat ion is een oxidator. Een negatief
ion na de pijl is dan de reductor.
2 Na(s) + Cl2 (g) 2 NaCl(s)
2 Na (s) 2 Na2+ + 2e-
Cl2 (g) + 2e- 2 Cl-