Sociale ongelijkheid = alle sociale verschillen, alle situaties waarin mensen een verschillende sociale
positie innemen. Sociale ongelijkheid kan worden omschreven met behulp van de ruimtelijke hoog-
laag metafoor. Iemand die een ‘hogere’ positie heeft, heeft meer macht, meer beslissingsvrijheid,
meer status, meer voorrechten van materiële aard. Degene die over relatief veel sociale privileges
beschikt, heeft ook de macht om deze te verwerven en te behouden.
sociale ongelijkheid: verschillen in macht en daarmee verbonden sociale privileges.
Machtsverschillen en daarmee ook verschillen in sociale privileges, zijn geworteld in
afhankelijkheidsverhoudingen tussen mensen. Afhankelijkheid impliceert macht. Macht is dwingende
invloed: het vermogen om het gedrag van anderen met behulp van sancties (beloningen en straffen)
te beïnvloeden.
Wanneer twee mensen in dezelfde mate van elkaar afhankelijk zijn, oefenen zij macht over elkaar uit
zonder dat er sprake is van een machtsverschil. De afhankelijkheid kan echter ook meer of minder
eenzijdig zijn.
Vier typen machtsbronnen:
Economisch: beschikking over schaarse goederen waar anderen op aangewezen zijn.
Privilege: materiële beloningen.
Politiek: beschikking over middelen tot reguliere uitoefening van geweld. Privilege:
bevoegdheden en rechten.
Affectief: het vermogen anderen emotioneel aan zich te binden. Privilege: status.
Cognitief: beschikking over speciale kennis die ook voor anderen waardevol is. Privilege:
toegang tot kennis en informatie.
Organisatie als machtsbron: doelgerichte coördinatie van activiteiten met behulp van regelgeving.
Mensen die volgens het ene criterium een hoge dan wel lage positie innemen, hebben meestal
volgens een ander criteria eenzelfde soort positie. Waar dit niet het geval is, is er sprake van
statusincongruentie. Deze wordt door de betrokkenen vaak als problematisch ervaren en leidt dan
tot pogingen de situatie te veranderen.
Verklaringen van sociale ongelijkheid:
afhankelijkheidsverhoudingen: bindingen tussen mensen, de machtsverschillen en daaruit
voortvloeiende verschillen in sociale privileges met zich meebrengen.
Dynamiek van economische bindingen, met name de arbeidsdeling, groei van
productiesurplus, veranderingen in bezitsverhoudingen en concurrentie.
Statusverschillen: mensen worden verschillend gewaardeerd naar de mate waarin zij in de
maatschappelijk gestelde normen en waarden voldoen.
Ongelijkheid naar leeftijd: in alle samenlevingen zijn kinderen eenzijdig afhankelijk van volwassenen.
Ongelijkheid naar sekse: ongelijkheidsverhoudingen tussen mannen en vrouwen.
Sociale stratificatie: de verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit gezinnen, families of
huishoudens bestaande groeperingen waartussen ongelijkheidsverhoudingen bestaan en waarvan het
lidmaatschap althans ten dele sociaal erfelijk is. Het is door middel van deze eenheden dat sociale
privileges worden overgedragen.
Voorwaarde voor het ontstaan van stratificatie:
arbeidsdeling (verder dan naar sekse en leeftijd)
surplusproductie
surplus toe-eigening
Onderscheid tussen klassen en standen
Historisch gezien, verwijst het begrip klasse naar de sociale strata die met de opkomst van het
kapitalisme en vervolgens de industrialisering in West-Europe op de voorgrond traden (ondernemers,
arbeiders).