Dilara M. Kiziltepe
2585367
Week 2
SBR 3, hoofdstuk 2 – Totstandkoming
Los van de wilsvertrouwensleer zijn de artikelen 3:33-35 BW ook cruciaal voor de inhoud van de
rechtshandeling. Het gaat in deze artikelen om een verklaring van een bepaalde strekking. Wat
die strekking is hangt enerzijds af van de partij heeft verklaard en beoogde, en anderzijds wat de
wederpartij uit de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon afleiden.
Het komt neer op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en
gedragingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit
criterium kom uit het Haviltex-arrest.
SBR 3, hoofdstuk 6 – Algemene voorwaarden
Bij de uitleg van algemene voorwaarden kan niet met een taalkundige uitleg worden voldaan, en
moet er naar het Haviltex-criterium gekeken worden. Bij twijfel over de betekenis van een beding,
prevaleert de voor de consument gunstige interpretatie (art. 6:238 lid 2 tweede zin BW). In
gevallen waar de partij geen consument is, is deze contra proferentem-uitleg slechts een
perspectief wat voor de uitleg betekenis kan hebben.
SBR 3, hoofdstuk 7 – Rechtsgevolgen van de overeenkomst ten aanzien van partijen
Ons Burgerlijk Wetboek kent geen algemene regeling van door rechtshandelingen in het leven
geroepen rechtsgevolgen. Hiervoor zijn onderlinge verschillen tussen verschillende soorten
rechtshandelingen te groot. Zodra een overeenkomst tot stand komt, zijn slechts art. 6:248 e.v.
BW van toepassing op de rechtsgevolgen (voor zowel de partijen als derden).
Volgens art. 6:248 lid 1 BW zijn partijen primair gebonden aan hetgeen zij overeenkwamen. De
inhoud van de overeenkomst is dan bepalend voor welke rechtsgevolgen uit wet, gewoonte en
redelijkheid en billijkheid voortkomen.
Wie een overeenkomst sluit, doet meer dan keuzevrijheid uitoefenen. Hij wekt bij de wederpartij
bepaalde verwachtingen op. Uitleg is van belang voor de bescherming van deze opgewekte
belangen.
Voor de uitleg van overeenkomsten is ook de wilsvertrouwensleer van art. 3:33-35 BW van
belang. In het Haviltex-arrest is door de Hoge Raad bepaald dat bij de uitleg van
overeenkomsten het afhangt van de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en
weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op grond
daarvan van elkaar mochten verwachten.
Bij de vraag naar relevante omstandigheden kan beter inzicht verkregen worden door het
vertrouwen te betrekken op de vraag of nader onderzoek naar de bedoelingen van de ander
geboden is (onderzoeksplicht). Verder zijn de vaardigheden die men bij de ander mag
veronderstellen van belang. Zoals de Hoge Raad overweegt, ‘tot welke maatschappelijke kringen
partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht’.
De zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst is op zichzelf nooit beslissend, maar kunnen
wel van belang zijn. Het belang hiervan is met name groot in het geval dat sprake is van een
uitvoerig gedetailleerd contract. Uiteindelijk blijft het aankomen op dat wat partijen redelijkerwijs
hebben mogen verwachten.
Het gedrag van partijen in de uitvoeringsfase is ook van belang voor de uitleg van de
overeenkomst.
De Haviltexnorm verliest haar vanzelfsprekendheid wanneer een overeenkomst ook voor derden
rechtsgevolgen heeft. Deze derde kan zich hier enigszins nog beroepen op de bescherming van
art. 3:36 BW.
De bescherming van de derde heeft slechts betrekking op de handeling die de derde in redelijk
vertrouwen heeft verricht, en beperkt zich tot de onderlinge verhouding tussen de derde en
partijen.
Pagina 1 van 8
2585367
Week 2
SBR 3, hoofdstuk 2 – Totstandkoming
Los van de wilsvertrouwensleer zijn de artikelen 3:33-35 BW ook cruciaal voor de inhoud van de
rechtshandeling. Het gaat in deze artikelen om een verklaring van een bepaalde strekking. Wat
die strekking is hangt enerzijds af van de partij heeft verklaard en beoogde, en anderzijds wat de
wederpartij uit de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon afleiden.
Het komt neer op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en
gedragingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit
criterium kom uit het Haviltex-arrest.
SBR 3, hoofdstuk 6 – Algemene voorwaarden
Bij de uitleg van algemene voorwaarden kan niet met een taalkundige uitleg worden voldaan, en
moet er naar het Haviltex-criterium gekeken worden. Bij twijfel over de betekenis van een beding,
prevaleert de voor de consument gunstige interpretatie (art. 6:238 lid 2 tweede zin BW). In
gevallen waar de partij geen consument is, is deze contra proferentem-uitleg slechts een
perspectief wat voor de uitleg betekenis kan hebben.
SBR 3, hoofdstuk 7 – Rechtsgevolgen van de overeenkomst ten aanzien van partijen
Ons Burgerlijk Wetboek kent geen algemene regeling van door rechtshandelingen in het leven
geroepen rechtsgevolgen. Hiervoor zijn onderlinge verschillen tussen verschillende soorten
rechtshandelingen te groot. Zodra een overeenkomst tot stand komt, zijn slechts art. 6:248 e.v.
BW van toepassing op de rechtsgevolgen (voor zowel de partijen als derden).
Volgens art. 6:248 lid 1 BW zijn partijen primair gebonden aan hetgeen zij overeenkwamen. De
inhoud van de overeenkomst is dan bepalend voor welke rechtsgevolgen uit wet, gewoonte en
redelijkheid en billijkheid voortkomen.
Wie een overeenkomst sluit, doet meer dan keuzevrijheid uitoefenen. Hij wekt bij de wederpartij
bepaalde verwachtingen op. Uitleg is van belang voor de bescherming van deze opgewekte
belangen.
Voor de uitleg van overeenkomsten is ook de wilsvertrouwensleer van art. 3:33-35 BW van
belang. In het Haviltex-arrest is door de Hoge Raad bepaald dat bij de uitleg van
overeenkomsten het afhangt van de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en
weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op grond
daarvan van elkaar mochten verwachten.
Bij de vraag naar relevante omstandigheden kan beter inzicht verkregen worden door het
vertrouwen te betrekken op de vraag of nader onderzoek naar de bedoelingen van de ander
geboden is (onderzoeksplicht). Verder zijn de vaardigheden die men bij de ander mag
veronderstellen van belang. Zoals de Hoge Raad overweegt, ‘tot welke maatschappelijke kringen
partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht’.
De zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst is op zichzelf nooit beslissend, maar kunnen
wel van belang zijn. Het belang hiervan is met name groot in het geval dat sprake is van een
uitvoerig gedetailleerd contract. Uiteindelijk blijft het aankomen op dat wat partijen redelijkerwijs
hebben mogen verwachten.
Het gedrag van partijen in de uitvoeringsfase is ook van belang voor de uitleg van de
overeenkomst.
De Haviltexnorm verliest haar vanzelfsprekendheid wanneer een overeenkomst ook voor derden
rechtsgevolgen heeft. Deze derde kan zich hier enigszins nog beroepen op de bescherming van
art. 3:36 BW.
De bescherming van de derde heeft slechts betrekking op de handeling die de derde in redelijk
vertrouwen heeft verricht, en beperkt zich tot de onderlinge verhouding tussen de derde en
partijen.
Pagina 1 van 8