(het tentamen heeft 40 meerkeuze vragen in tegenstelling tot het oefententamen)
Meerkeuze vragen 80 punten
1. In de meeste strategische marketingplannen wordt de missie van het bedrijf omschreven.
Deel van die missie is doorgaans, dat de organisatie in haar bedrijfsvoering de
marketingoriëntatie centraal stelt. Een juiste omschrijving van de marketingoriëntatie is
A. de filosofie die stelt dat de behoeften en belangen van de afnemers centraal moeten
staan,
B. de opvatting dat een onderneming de afnemers moet leveren wat deze verlangen.
C. de opvatting dat de uitgaven ten behoeve van marketing de hoogste prioriteit in de
organisatie dienen te hebben.
D. de filosofie die stelt dat de marketingafdeling binnen het organisatieschema van de
onderneming ten minste op gelijk niveau moet staan met de overige functionele
afdelingen.
2. In het jaarverslag van een klein bedrijf dat fietsen produceert, schrijft de directeur in het
voorwoord dat het luisteren naar de klant een belangrijk en sturend aspect van de
bedrijfsvoering is. Ook stelt hij dat een efficiënte productie aanzienlijk kan bijdragen aan
het verwezenlijken van een concurrentievoordeel. Voorts kent hij een belangrijke rol toe
aan reclame- en verkoopondersteuning. Hij eindigt evenwel met de uitspraak dat boven
alles een goed en betrouwbaar product zichzelf verkoopt. Welk concept hanteert deze
directeur?
A. Marketingoriëntatie.
B. Verkooporiëntatie.
C. Productoriëntatie,
D. Productieoriëntatie.
3. Onder mesomarketing verstaat men
A. het geheel van marketingtaken en –functies waarmee een bepaalde
volkshuishouding in haar behoeften voorziet.
B. het geheel van marketingtaken en –functies waarmee een bepaalde organisatie in
specifieke behoeften van een doelgroep voorziet.
C. het geheel van marketingtaken en -functies in een bedrijfskolom of op
bedrijfstakniveau.
D. het geheel van marketingtaken en –functies dat erop gericht is een optimale
afstemming binnen het bedrijf te realiseren.
4. Onder welke omstandigheden is er sprake van een marktsituatie die men verkopersmarkt
of 'sellers market' noemt?
A. Het bedrijf probeert de uit overproductie voortgekomen artikelen met
verkoopondersteunende acties af te zetten.
B. Het bedrijf probeert de uit overproductie voortgekomen artikelen via andere
verkoopkanalen kwijt te raken.
C. De vraag overtreft het aanbod.
D. Het aanbod overtreft de vraag.
5. Wat is het kenmerk van het verkoopconcept?
A. Het verkoopconcept legt de nadruk op de kwaliteit van het product om zo ruiltransac-
ties tot stand te brengen.