Samenvatting deeltentamen 1. H 1ttm5.
H1 Out of the cave: rationalism and empiricism in antiquity.
1.1 Introduction.
Wat is kennis?
Rationalisme: ware kennis komt voort uit onze redenering capaciteiten. Rationalisten argumenteren
dat onze capaciteit om na te denken leidt tot ideeën en concepten die we niet kunnen verkrijgen door
alleen onze zintuigelijke capaciteiten te gebruiken. Gebaseerd op het werk van Plato.
Empirisme: niet de rede, maar zintuigelijke waarnemingen zijn de bron van kennis. Gebaseerd op
Aristoteles, de leerling van Plato.
1.2 Plato’s rationalism.
Plato (427-347 v. Chr), rationalist en leerling van Socrates.
Socrates claimde dat het enige was dat hij zeker wist, is dat hij niets weet. Hij stelde mensen vragen
over dingen waarover ze zeker dachten te zijn en liet hen opnieuw nadenken over hun mening.
Socrates kreeg de gifbeker omdat tegen de goden inging en de jeugd slecht beïnvloedde.
Ontologie: (metafysica) zijnsleer, wat bestaat er en wat bestaat niet? Een belangrijke kwestie was
tussen ‘zijn’ en ‘worden’.
Heraclitus: verandering is de kern van het bestaan. Niets is, alles wordt. Panta rei: alles stroomt. “You
cannot step twice into the same river; for fresh water are ever flowing in upon you”. Iedereen
verandert constant een beetje, waardoor je niet dezelfde persoon bent die je gister was. Alleen de
weinigen die in staat zijn om de verborgen wetten te zien, de logos, achter de verschijningen,
verkrijgen echte kennis.
Parmenides: onze zintuigen misleiden ons in het denken dat dingen continu veranderen. Iets kan niet
ontstaan uit, of verdwijnen in niets. Onder de verandering en beweging die we waarnemen met onze
zintuigen, is er een permanente en onveranderbare realiteit. Alles is, niets wordt. Omdat de zintuigen
misleidend zijn in het zien van de realiteit, moeten we op de rede vertrouwen om de onveranderbare
waarheid over de eeuwige realiteit te ontdekken.
Epistemologie: kennisleer, wat is kennis?
Pluto over Heraclites: wanneer de wereld wordt gezien als constant in beweging (constant flux),
verschillen onze percepties, en dus onze kennis, van moment tot moment en van persoon tot persoon.
De mens is dan het meetinstrument van alle dingen (homo mensura). Plato reageert hierop met:
waarheid en kennis gaan over hoe dingen echt zijn, niet over hoe ze zijn voor mij of voor jou.
Wanneer er wordt uitgegaan van constante verandering kunnen we om tot kennis te komen dus niet
afgaan op onze observatie.
Plato was het meer eens met Parmenides in de kwestie over wat echt is en wat niet. Plato geloofde dat
de wereld geen constant veranderende realiteit was maar een bovennatuurlijke wereld waarbinnen de
eeuwige en perfecte vorm van alles zich bevind. Als we bijvoorbeeld denken aan een driehoek, is dit
niet de perfecte driehoek maar een afspiegeling daarvan. Plato gebruikte hierbij de allegorie van de
grot: mensen zitten gevangen en vastgeketend in een grot, achter hen brand een vuur, tussen de
gevangen en het vuur staat personen die beelden en figuren omhoog houden waardoor er schaduwen
op de muur worden gecreëerd. Het enige wat de gevangenen zien zijn de schaduwen, ze hebben nog
nooit de realiteit buiten de grot gezien dus voor hen zijn de schaduwen de realiteit. Wanneer de
gevangenen worden vrijgelaten zullen ze eerst het vuur zien en zich realiseren dat er meer is dan alleen
de schaduwen. Wanneer ze uit de grot komen zullen ze geblindeerd worden door de zon en na enige
tijd zullen ze de echte objecten zien, en dan zullen ze zich realiseren dat de schaduwen alleen maar
kopieën waren van de realiteit. Mensen denken ook dat de realiteit die ze zien de waarheid is, maar we
moeten verder kijken naar de wereld van de perfecte vormen.
We kunnen tot deze wereld van perfecte vormen komen door onze capaciteit om te redeneren. Plato
gaat uit van het nativisme, dit houdt in dat mensen worden geboren met kennis van de wereld van
perfecte vormen, we worden zelfs geboren met alle kennis, maar deze kennis vergeten we tijdens onze
geboorte. We leren geen nieuwe dingen maar leren is herinneren. Door redenering kunnen we de
H1 Out of the cave: rationalism and empiricism in antiquity.
1.1 Introduction.
Wat is kennis?
Rationalisme: ware kennis komt voort uit onze redenering capaciteiten. Rationalisten argumenteren
dat onze capaciteit om na te denken leidt tot ideeën en concepten die we niet kunnen verkrijgen door
alleen onze zintuigelijke capaciteiten te gebruiken. Gebaseerd op het werk van Plato.
Empirisme: niet de rede, maar zintuigelijke waarnemingen zijn de bron van kennis. Gebaseerd op
Aristoteles, de leerling van Plato.
1.2 Plato’s rationalism.
Plato (427-347 v. Chr), rationalist en leerling van Socrates.
Socrates claimde dat het enige was dat hij zeker wist, is dat hij niets weet. Hij stelde mensen vragen
over dingen waarover ze zeker dachten te zijn en liet hen opnieuw nadenken over hun mening.
Socrates kreeg de gifbeker omdat tegen de goden inging en de jeugd slecht beïnvloedde.
Ontologie: (metafysica) zijnsleer, wat bestaat er en wat bestaat niet? Een belangrijke kwestie was
tussen ‘zijn’ en ‘worden’.
Heraclitus: verandering is de kern van het bestaan. Niets is, alles wordt. Panta rei: alles stroomt. “You
cannot step twice into the same river; for fresh water are ever flowing in upon you”. Iedereen
verandert constant een beetje, waardoor je niet dezelfde persoon bent die je gister was. Alleen de
weinigen die in staat zijn om de verborgen wetten te zien, de logos, achter de verschijningen,
verkrijgen echte kennis.
Parmenides: onze zintuigen misleiden ons in het denken dat dingen continu veranderen. Iets kan niet
ontstaan uit, of verdwijnen in niets. Onder de verandering en beweging die we waarnemen met onze
zintuigen, is er een permanente en onveranderbare realiteit. Alles is, niets wordt. Omdat de zintuigen
misleidend zijn in het zien van de realiteit, moeten we op de rede vertrouwen om de onveranderbare
waarheid over de eeuwige realiteit te ontdekken.
Epistemologie: kennisleer, wat is kennis?
Pluto over Heraclites: wanneer de wereld wordt gezien als constant in beweging (constant flux),
verschillen onze percepties, en dus onze kennis, van moment tot moment en van persoon tot persoon.
De mens is dan het meetinstrument van alle dingen (homo mensura). Plato reageert hierop met:
waarheid en kennis gaan over hoe dingen echt zijn, niet over hoe ze zijn voor mij of voor jou.
Wanneer er wordt uitgegaan van constante verandering kunnen we om tot kennis te komen dus niet
afgaan op onze observatie.
Plato was het meer eens met Parmenides in de kwestie over wat echt is en wat niet. Plato geloofde dat
de wereld geen constant veranderende realiteit was maar een bovennatuurlijke wereld waarbinnen de
eeuwige en perfecte vorm van alles zich bevind. Als we bijvoorbeeld denken aan een driehoek, is dit
niet de perfecte driehoek maar een afspiegeling daarvan. Plato gebruikte hierbij de allegorie van de
grot: mensen zitten gevangen en vastgeketend in een grot, achter hen brand een vuur, tussen de
gevangen en het vuur staat personen die beelden en figuren omhoog houden waardoor er schaduwen
op de muur worden gecreëerd. Het enige wat de gevangenen zien zijn de schaduwen, ze hebben nog
nooit de realiteit buiten de grot gezien dus voor hen zijn de schaduwen de realiteit. Wanneer de
gevangenen worden vrijgelaten zullen ze eerst het vuur zien en zich realiseren dat er meer is dan alleen
de schaduwen. Wanneer ze uit de grot komen zullen ze geblindeerd worden door de zon en na enige
tijd zullen ze de echte objecten zien, en dan zullen ze zich realiseren dat de schaduwen alleen maar
kopieën waren van de realiteit. Mensen denken ook dat de realiteit die ze zien de waarheid is, maar we
moeten verder kijken naar de wereld van de perfecte vormen.
We kunnen tot deze wereld van perfecte vormen komen door onze capaciteit om te redeneren. Plato
gaat uit van het nativisme, dit houdt in dat mensen worden geboren met kennis van de wereld van
perfecte vormen, we worden zelfs geboren met alle kennis, maar deze kennis vergeten we tijdens onze
geboorte. We leren geen nieuwe dingen maar leren is herinneren. Door redenering kunnen we de