,Inhoudsopgave
AFP .......................................................................................................................................................... 3
ABB coAFP1 ........................................................................................................................................... 3
ABB Zelfstudie coAFP1 ...................................................................................................................... 10
ABB coAFP2 ......................................................................................................................................... 13
ABB coAFP2 zelfstudie tractus genitalis feminius.................................................................................. 20
ABB coAFP2 zelfstudie Tractus Genitalis Hominis ................................................................................. 21
ABB coAFP3 ......................................................................................................................................... 22
ABB zelfstudie coAFP3 Tractus Uropoëticus Pathologie ........................................................................ 31
ABB coAFP4 ......................................................................................................................................... 33
ABB coAFP5 ......................................................................................................................................... 41
ABB wcAFP5 spieren ......................................................................................................................... 46
ABB coAFP5 zelfstudie spieren ........................................................................................................... 48
ABB coAFP6 ......................................................................................................................................... 49
ABB zelfstudie coAFP6 anatomie en fysiologie tractus digestivus ........................................................... 60
ABB coAFP7 ......................................................................................................................................... 64
ABB AFP kahoot................................................................................................................................ 72
MRI ........................................................................................................................................................ 76
ABB coMRI1 incl. H4.1-4.11, H4.21-4.24, H7.1-7.3 ................................................................................... 76
ABB coMRI2......................................................................................................................................... 82
ABB coMRI 3 ........................................................................................................................................ 84
ABB coMRI4......................................................................................................................................... 89
MRI VH aantekeningen ......................................................................................................................... 93
VH2 prMRI1 theoretische zelfstudie ................................................................................................... 93
VH2 prMRI4 ..................................................................................................................................... 94
VH2 prMRI5 ..................................................................................................................................... 94
ECHO...................................................................................................................................................... 97
ABB coEC1 ........................................................................................................................................... 97
ABB coEC1 zelfstudie ...................................................................................................................... 100
ABB coEC2 ......................................................................................................................................... 102
VH2 coEC3 ........................................................................................................................................ 105
ABB coEC3 zelfstudie beeldkwaliteit en resolutie ............................................................................... 108
ABB coEC3 ......................................................................................................................................... 109
ABB coEC3 zelfstudie Echografie van de lever en galwegen ................................................................. 116
ABB wcEC1 ........................................................................................................................................ 118
2
,AFP
ABB coAFP1
incl. H18.1 t/m 18.5
Urinaire stelsel
Belangrijkste 3 functies
• [1] excretie: Het urinaire stelsel verwijdert het grootste deel van de (metabole) organische
afvalstoffen (zoals bilirubine, ureum en urinezuur) uit de lichaamsvloeistoffen.
• [2] eliminatie: De lozing van de afvalstoffen naar buiten.
• [3] homeostatische regeling van het volume en de concentratie opgeloste stoffen in het bloed.
• Urinevorming: nieren → de ureters → de vesica urinae → urethra → urinelozing.
• De gespierde vesica urinae (urineblaas) en de urethra: verantwoordelijk voor mictie
(urinelozing).
Verdere belangrijke functies
• Het reguleren van het bloedvolume en de bloeddruk.
• Het reguleren van de concentratie van natrium, kalium, chloride en andere ionen.
• Bijdragen aan het stabiliseren van de pH van bloed.
• Het behoud van waardevolle voedingsstoffen zoals glucose en aminozuren door te voorkomen
dat ze met de urine verloren gaan.
Nier
• Een nier is roodbruin en is ±11 cm en ±150 gram.
• De rechternier zit lager dan de linker nier, vanwege de ligging van de lever.
• De nieren bevinden zich aan de weerszijden van de wervelkolom tussen de T12 en L3.
• Beide nieren liggen in een retroperitoneale positie: achter het peritoneum (buikvlies).
• De nieren worden op hun plaats gehouden door [1] het bovengelegen buikvlies, [2] contact met
aangrenzende organen en [3] ondersteunende bindweefsels.
• Vetweefsel en de onderste ribben beschermen de nier.
De bouw van een nier
• Capsela renalis (Nierkapsel): Omgeeft de buitenkant van de nier en de renale sinus. Dicht en
fibreus; voorkomt dat de nierfunctie wordt verstoord door schokken en plotselinge bewegingen.
- Beschadigingen aan het kapsel kunnen
leiden tot wandelende nier.
• Cortex (Nierschors)
• Medulla (Niermerg): Bevat 6 tot 18
nierpiramiden waarvan de uiteinden, de
nierpapillen, uitsteken in de renale sinus. Deze
vervoeren de urine naar de calices
minores/majores.
• Calices minores (2)/majores (5) – nierkelk:
omgeven de nierpapillen.
• Hilum (nierpoort): instulping waar de a. renalis
en de plexus renalis binnenkomen en de v.
renalis en de ureter uittreden.
• Pyelum (nierbekken): gevormd door 2/3 calices
majores. Figuur 1
• Ureter: vertrekt vanuit het pyelum.
3
, Bloedvoorziening nieren
• Nieren ontvangen ±20-25% van het totale
hartminuutvolume (1,2 L bloed/minuut).
• A. adrenalis: naar de bijnier.
• A. renalis: ontspringt van de aorta abdominalis;
grootste bloedvat dat de nier van bloed voorziet.
Deze arterie vertakt zich.
• Interlobulaire arteriën: lopen door tussen de
nierpiramiden en verdelen het bloed door de hele
nier heen en monden uit in de aa. Arcuatae.
• Afferente arteriolen: vertakken vanuit de
interlobulaire arteriën en voeren bloed toe naar
de capillairen van de afzonderlijke
nefronen/nierlichaampjes.
• Efferent: brengt het bloed het nierlichaampje uit.
• Daarna stroomt het bloed naar het peritubulaire
capillairnet.
• Corticale nefronen: liggen vrijwel helemaal
binnen de nierschors.
• Juxtamedullaire nefronen: lopen diep de
medulla in en vormen geconcentreerde urine.
• Vasa recta: in de juxtamedullaire nefronen lopen
capillairen evenwijdig met de lis van Henle.
Figuur 2
Nefronen
• Proximaal: dichtbij het nierlichaampje gelegen – distaal: verder van het
nierlichaampje af.
• Glomerulus: vaatkluwen; perst bloed eruit met een bepaalde druk en wordt
opgenomen in de afferente arteriole; filtreren.
• Elk nefron bestaat uit 2 delen: [1] nierlichaampje en [2] nierbuis.
• De gekronkelde segmenten liggen in de nierschors.
• De U-vormige buis ligt gedeeltelijk of geheel in het niermerg.
Figuur 3
Diurese – urineproductie
• Het voornaamste doel is de excretie en verwijdering van opgeloste stoffen, voornamelijk
afvalproducten van de stofwisseling, zoals
- Ureum: afbraakproduct van aminozuren.
- Creatinine: afbraakproduct van creatinefosfaat (speelt ene rol bij spiercontractie).
- Urinezuur: afbraakproduct van RNA-moleculen.
• Urineproductie verloopt via [1] filtratie, [2] reabsorptie en [3] excretie.
[1] filtratie
• Passief proces: kost geen energie.
• Filtratie vindt plaats in het lichaam van Malpighi (nierlichaampje, d = 0,2 mm):
hierbij wordt water als gevolg van de bloeddruk door het filtratiemembraan in het
nierlichaampje geperst.
4
Figuur 4