Tijdvak 7 tijd van pruiken en revoluties
7.1 De verlichting
De verlichting:
- Was een westerse beweging die het menselijk verstand belangrijk vond. Zij wilde de
mensheid helpen om vanuit ‘de duisternis’ naar ‘het licht’ te komen.
- De verlichting bouwde voort op de wetenschappelijke revolutie uit de 17e eeuw.
Rationalisme:
- De toepassing van het verstand.
- Het rationalisme zou leiden tot algehele vooruitgang op allerlei terreinen en zelfs het
menselijk geluk.
- In Engeland en Nederland bestond naar verhouding veel vrijheid en er boeken
verschenen die in andere landen verboden waren, daardoor ontstond de verlichting in
Nederland en Engeland.
De verspreiding van de verlichting:
- Door vorsten: de Pruisische koning Frederik de Grote was tolerant in
godsdienstzaken en was bevriend met de verlichte Franse schrijver Voltaire.
- Door genootschappen en salons: in verlichte genootschappen en salons
discussieerden mensen, wisselden ideeën uit of deden samen onderzoek.
- Door de uitgave van de encyclopedie: de Encyclopédie bestond uit (28 delen met
72 000) artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het doel was de
mensheid vooruithelpen door kennis uit de hele wereld toegankelijk te maken.
Verlichte denkers:
- Verlichte denkers hadden kritiek op godsdienstige intolerantie, die bijvoorbeeld leidde
tot godsdienstoorlogen. Sommige verlichte denkers geloofden niet in God; ze waren
atheïst. Anderen, zoals Voltaire waren deïst. Volgens hem had God de wereld
gemaakt, maar greep hij niet meer in. Alles op aarde verliep sinds de schepping
volgens regelmaat, volgens vaste natuurwetten.
Verlichte denkers over de sociale ongelijkheid:
- Voltaire vond de sociale ongelijkheid wel best. Volgens hem wilde slechts zo’n tien
procent van de bevolking zelf nadenken; anderen verdienden geen verlichting.
Volgens Rousseau waren de bestaande ongelijkheden in strijd met de rede. Ze
stelden dat alle mensen verstand hadden gekregen en dus ook gelijke rechten
moesten hebben.
(Volks)soevereiniteit: het idee dat het volk de hoogste macht heeft.
Rechtsstaat: staat waarin iedereen zich aan de wet moet houden.
Mensenrechten: rechten van alle mensen.
John Locke (politiek):
- Locke stelde dat koningen en regeringen hun macht niet hebben ontvangen van God,
maar van de burgers. Die hebben een deel van hun rechten aan de overheid
overgedragen, zodat de overheid kan zorgen voor veiligheid. Het was de taak van de
overheid om de natuurlijke rechten (leven, vrijheid en geluk) van de burgers te
beschermen. De overheid stond niet boven de wet, maar moest ze zich er net als
iedere burger aan houden.
, De driemachtenleer van Montesquieu (politiek) :
- Volgens deze driemachtenleer (trias politica) van Montesquieu moeten de wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht van elkaar gescheiden worden. Het parlement moet wetten
vaststellen, de regering de wetten uitvoeren en onafhankelijke rechters moeten de naleving
van de wetten controleren.
- Hierdoor konden corruptie, machtsmisbruik en onderdrukking worden voorkomen.
Adam Smith (econoom):
- Onzichtbare hand: Als alle mensen hun eigenbelang kunnen nastreven, zal de wet
van vraag en aanbod gelden. Overstijgt de vraag naar een product het aanbod, dan
worden ondernemers gestimuleerd er meer van te maken. Overtreft het aanbod de
vraag, dan daalt te prijs. Om hun winst op peil te houden, moeten ondernemers hun
prijzen verlagen of betere producten maken. Zo brengt het eigenbelang als een
onzichtbare hand steeds meer welvaart voor iedereen.
- De taak van de overheid: moest wel zorgen voor eerlijke spelregels en het
mechanisme van vraag en aanbod niet verstoren.
Economisch liberalisme: de overheid moet zich zo weinig mogelijk bemoeien met de
economie.
7.1 De verlichting
De verlichting:
- Was een westerse beweging die het menselijk verstand belangrijk vond. Zij wilde de
mensheid helpen om vanuit ‘de duisternis’ naar ‘het licht’ te komen.
- De verlichting bouwde voort op de wetenschappelijke revolutie uit de 17e eeuw.
Rationalisme:
- De toepassing van het verstand.
- Het rationalisme zou leiden tot algehele vooruitgang op allerlei terreinen en zelfs het
menselijk geluk.
- In Engeland en Nederland bestond naar verhouding veel vrijheid en er boeken
verschenen die in andere landen verboden waren, daardoor ontstond de verlichting in
Nederland en Engeland.
De verspreiding van de verlichting:
- Door vorsten: de Pruisische koning Frederik de Grote was tolerant in
godsdienstzaken en was bevriend met de verlichte Franse schrijver Voltaire.
- Door genootschappen en salons: in verlichte genootschappen en salons
discussieerden mensen, wisselden ideeën uit of deden samen onderzoek.
- Door de uitgave van de encyclopedie: de Encyclopédie bestond uit (28 delen met
72 000) artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het doel was de
mensheid vooruithelpen door kennis uit de hele wereld toegankelijk te maken.
Verlichte denkers:
- Verlichte denkers hadden kritiek op godsdienstige intolerantie, die bijvoorbeeld leidde
tot godsdienstoorlogen. Sommige verlichte denkers geloofden niet in God; ze waren
atheïst. Anderen, zoals Voltaire waren deïst. Volgens hem had God de wereld
gemaakt, maar greep hij niet meer in. Alles op aarde verliep sinds de schepping
volgens regelmaat, volgens vaste natuurwetten.
Verlichte denkers over de sociale ongelijkheid:
- Voltaire vond de sociale ongelijkheid wel best. Volgens hem wilde slechts zo’n tien
procent van de bevolking zelf nadenken; anderen verdienden geen verlichting.
Volgens Rousseau waren de bestaande ongelijkheden in strijd met de rede. Ze
stelden dat alle mensen verstand hadden gekregen en dus ook gelijke rechten
moesten hebben.
(Volks)soevereiniteit: het idee dat het volk de hoogste macht heeft.
Rechtsstaat: staat waarin iedereen zich aan de wet moet houden.
Mensenrechten: rechten van alle mensen.
John Locke (politiek):
- Locke stelde dat koningen en regeringen hun macht niet hebben ontvangen van God,
maar van de burgers. Die hebben een deel van hun rechten aan de overheid
overgedragen, zodat de overheid kan zorgen voor veiligheid. Het was de taak van de
overheid om de natuurlijke rechten (leven, vrijheid en geluk) van de burgers te
beschermen. De overheid stond niet boven de wet, maar moest ze zich er net als
iedere burger aan houden.
, De driemachtenleer van Montesquieu (politiek) :
- Volgens deze driemachtenleer (trias politica) van Montesquieu moeten de wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht van elkaar gescheiden worden. Het parlement moet wetten
vaststellen, de regering de wetten uitvoeren en onafhankelijke rechters moeten de naleving
van de wetten controleren.
- Hierdoor konden corruptie, machtsmisbruik en onderdrukking worden voorkomen.
Adam Smith (econoom):
- Onzichtbare hand: Als alle mensen hun eigenbelang kunnen nastreven, zal de wet
van vraag en aanbod gelden. Overstijgt de vraag naar een product het aanbod, dan
worden ondernemers gestimuleerd er meer van te maken. Overtreft het aanbod de
vraag, dan daalt te prijs. Om hun winst op peil te houden, moeten ondernemers hun
prijzen verlagen of betere producten maken. Zo brengt het eigenbelang als een
onzichtbare hand steeds meer welvaart voor iedereen.
- De taak van de overheid: moest wel zorgen voor eerlijke spelregels en het
mechanisme van vraag en aanbod niet verstoren.
Economisch liberalisme: de overheid moet zich zo weinig mogelijk bemoeien met de
economie.