Anatomie en fysiologie
voorbereiding college 3
Leerdoelen:
Hoe de embryonale ontwikkeling verloopt.
Welke fysiologische veranderingen zich voordoen bij een zwangere.
Hoe de ontwikkelingen van de verschillende orgaanstelsels in de
embryonale en foetale periode verlopen.
2.2.4 Foetale circulatie
De foetale circulatie vertoont grote verschillen met die van na de geboorte. De
foetus staat door middel van de navelstreng met de placenta in verbinding. De
placenta zorgt voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen vanuit moederlijk
bloed en voor de afvoer van afvalstoffen. De navelstreng bevat drie bloedvaten:
Twee arteria umbilicales (zijtakken van de arteria iliaca interna).
Die vervoeren het bloed van de foetus naar de placenta. Omdat HbF
(foetale hemoglobine) een grotere affiniteit heeft voor zuurstof dan HbA
wordt het zuurstof van de maternale erytrocyten door de placenta heen
overgedragen op de foetale erytrocyten. Het maternale en foetale bloed
zijn in de placenta wel van elkaar gescheiden.
Één vena umbilicalis.
Deze vervoert het bloed van de placenta naar de foetus. Door opname van
zuurstof in de placenta is dit bloedvat relatief zuurstofrijk en voedselrijk.
De vena umbilicalis voert het zuurstofrijke bloed naar de lever. Een gedeelte van
het bloed passeert de lever buitenom door de ductus venosus (kortsluiting tussen
vena umbilicalis en vena cava inferior). In het hart aangekomen gaat een groot
deel van het bloed rechtstreeks van het rechteratrium naar het linkeratrium door
het foramen ovale. Dit is een opening met een klep in het septum tussen beide
arteria die slechts in één richting doorlaatbaar is. Het bloed dat door de truncus
pulmonalis vanuit de rechterharthelft wordt afgevoerd, gaat slechts voor een
klein gedeelte door naar de longen, doordat er een kortsluiting is tussen de linker
arteria pulmonalis en de aorta. Deze kortsluiting heeft de ductus arteriosus
(ductus Botalli). Door dit systeem stoomt er daarom voor de geboorte weinig
bloed door de longen, omdat de longcirculatie kortgesloten is.
Na de geboorte zal het CO2-gehalte in het bloed snel toenemen, doordat de
navelstreng wordt afgebonden. Een hoog CO2-gehalte is de voornaamste
ademprikkel, waardoor de longen dan voluit gaan functioneren. De longen zorgen
er dan voor dat de druk in de rechterventrikel van het hart afneemt. Doordat er
voor het eerst veel bloed vanuit de longen naar het linkeratrium stroomt zal de
druk daar toenemen en zal het foramen ovale vrij snel worden dichtgedrukt. Na
een jaar is deze opening dichtgegroeid.
Bij sommige mensen is de vergroeiing van het foramen ovale niet volledig. Dit
levert weinig problemen, behalve als de truncus pulmonalis is vernauwd, want
dan is de druk in het rechteratrium vergroot en stroomt er bloed door het
foramen ovale naar het linkeratrium. De zuurstofconcentratie in de grote
circulatie zal dan verlaagd zijn.
Door de omkering van de stroomrichting van het bloed in de ductus arteriosus na
de geboorte sluit deze zich snel en ontstaat er een strengetje (ligamentum
arteriosum). Als deze open blijft is het een open ductus Botalli. De ductus
venosus wordt ook geleidelijk een strengetje (ligamentum venosum).
, 12.4.4 Conceptie en implantatie
Als de Graafse follikel rijp is, barst hij open en wordt de eicel (secundaire oöcyt),
met een krans van follikelcellen (corona radiata), uitgestoten. Dit noem je de
ovulatie (eisprong).
Het infundibulum wordt tijdens de ovulatie op de juiste plaats over het ovarium
heen gelegd. Hierdoor kan de eicel in de tuba worden opgenomen.
De levensduur van de vrijgekomen eicel bedraagt 12 tot 24 uur. Alleen als de
bevruchting binnen enkele uren na de ovulatie plaatsvindt, kan een
levensvatbare zygote worden gevormd. De conceptie kan dus alleen in het
uiteinde van de tuba plaatsvinden. Voor de conceptie moet het sperma de eicel
bereiken. Sperma kan 12 tot 48 uur in het vrouwelijke voortplantingsstelsel in
leven blijven. Om bevruchting te bewerkstelligen moet geslachtsgemeenschap
daarom plaatsvinden binnen 72 uur voor en 24 uur na de ovulatie. Van de vele
miljoenen zaadcellen bereiken maar enkele honderden de ampulla van de tuba.
Als ze de ampulla bereikt hebben duurt het nog 7 uur voordat ze in staat zijn om
zich aan de eicel te binden. De zaadcellen werken samen om de folikkelcellen los
te maken van de eicel en één zaadcel de kans te geven de zona pellucida te
doorboren.
Receptoren op het celmembraan van de kop van de zaadcellen binden zich met
een bepaald eiwit van de zona pellucida, wat een reactie veroorzaakt waardoor
enzymen vrijkomen die de zona pellucida ter plaatse afbreken, waardoor de
zaadcel tegen het membraan van de eicel komt te liggen.
Door de fusie tussen de membranen van de zaadcel en de eicel treedt een
reactie op waarbij andere enzymen vrijkomen die zorg dat de andere, aan de
zona pellucida gebonden zaadcellen, loslaten, waardoor er geen meervoudige
bevruchting plaats kan vinden.
Als de zaadcel in binnengedrongen, wordt de tweede meiotische deling van de
eicel voltooid. Het resultaat is dan uiteindelijk één bevruchte eicel en drie
poollichaampjes (zie afbeelding 12.4).
Binnen de bevruchte eicel wordt de kop van de zaadcel (mannelijke pronuncleus)
gescheiden van de rest. De kop zwelt op en de rest degenereert. De vrouwelijke
pronuncleus is de kern van de bevruchte eicel. De versmelting van beide
pronucleï leidt tot de vorming van de zygote (pre-embryo).
Dertig uur na de bevruchting vinden klievingsdelingen plaats. Dit zijn mitotische
delingen waarbij het aantal cellen wel toeneemt, maar de totale hoeveelheid
cytoplasma niet.
De eerste klievingsdeling is onmiddellijk na de fusie van de beide pronucleï en
leidt tot de vorming van een tweecellige vrucht. Drie dagen na de bevruchting is
een klompje van 12-16 cellen ontstaan (de morula (moerbrei)). De grenzen
tussen de cellen vervagen en er treedt dan compactie (samengedrongen
celmassa) op. Er ontstaat dan een klompje cellen (embryoblast) en door
vochtopname ontstaat een centrale holte. De vrucht wordt daarna de blastula
genoemd (4-5 dagen na bevruchting). In de blastula zijn twee lagen te
onderscheiden:
1. De embyroblast:
Dit is het latere embyro en wordt gevormd door een goed begrensd
klompje kiemcellen. Deze laag ligt aan de centrale holte.
2. De trofolast:
Dit zijn de perifere cellen. Hieruit ontstaan de vruchtvliezen en de
hechtvlokken, waaruit het kindsdeel van de placenta gevormd wordt.
Bij de eerste klievingsdelingen ontstaan cellen die nog totipotent zijn (dat
betekent dat uit elke cel een compleet individu kan ontstaan). Tijdens de vierde
klievingsdeling treedt de eerste differentiatie op (embryoblast, trofoblast). Het
voorbereiding college 3
Leerdoelen:
Hoe de embryonale ontwikkeling verloopt.
Welke fysiologische veranderingen zich voordoen bij een zwangere.
Hoe de ontwikkelingen van de verschillende orgaanstelsels in de
embryonale en foetale periode verlopen.
2.2.4 Foetale circulatie
De foetale circulatie vertoont grote verschillen met die van na de geboorte. De
foetus staat door middel van de navelstreng met de placenta in verbinding. De
placenta zorgt voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen vanuit moederlijk
bloed en voor de afvoer van afvalstoffen. De navelstreng bevat drie bloedvaten:
Twee arteria umbilicales (zijtakken van de arteria iliaca interna).
Die vervoeren het bloed van de foetus naar de placenta. Omdat HbF
(foetale hemoglobine) een grotere affiniteit heeft voor zuurstof dan HbA
wordt het zuurstof van de maternale erytrocyten door de placenta heen
overgedragen op de foetale erytrocyten. Het maternale en foetale bloed
zijn in de placenta wel van elkaar gescheiden.
Één vena umbilicalis.
Deze vervoert het bloed van de placenta naar de foetus. Door opname van
zuurstof in de placenta is dit bloedvat relatief zuurstofrijk en voedselrijk.
De vena umbilicalis voert het zuurstofrijke bloed naar de lever. Een gedeelte van
het bloed passeert de lever buitenom door de ductus venosus (kortsluiting tussen
vena umbilicalis en vena cava inferior). In het hart aangekomen gaat een groot
deel van het bloed rechtstreeks van het rechteratrium naar het linkeratrium door
het foramen ovale. Dit is een opening met een klep in het septum tussen beide
arteria die slechts in één richting doorlaatbaar is. Het bloed dat door de truncus
pulmonalis vanuit de rechterharthelft wordt afgevoerd, gaat slechts voor een
klein gedeelte door naar de longen, doordat er een kortsluiting is tussen de linker
arteria pulmonalis en de aorta. Deze kortsluiting heeft de ductus arteriosus
(ductus Botalli). Door dit systeem stoomt er daarom voor de geboorte weinig
bloed door de longen, omdat de longcirculatie kortgesloten is.
Na de geboorte zal het CO2-gehalte in het bloed snel toenemen, doordat de
navelstreng wordt afgebonden. Een hoog CO2-gehalte is de voornaamste
ademprikkel, waardoor de longen dan voluit gaan functioneren. De longen zorgen
er dan voor dat de druk in de rechterventrikel van het hart afneemt. Doordat er
voor het eerst veel bloed vanuit de longen naar het linkeratrium stroomt zal de
druk daar toenemen en zal het foramen ovale vrij snel worden dichtgedrukt. Na
een jaar is deze opening dichtgegroeid.
Bij sommige mensen is de vergroeiing van het foramen ovale niet volledig. Dit
levert weinig problemen, behalve als de truncus pulmonalis is vernauwd, want
dan is de druk in het rechteratrium vergroot en stroomt er bloed door het
foramen ovale naar het linkeratrium. De zuurstofconcentratie in de grote
circulatie zal dan verlaagd zijn.
Door de omkering van de stroomrichting van het bloed in de ductus arteriosus na
de geboorte sluit deze zich snel en ontstaat er een strengetje (ligamentum
arteriosum). Als deze open blijft is het een open ductus Botalli. De ductus
venosus wordt ook geleidelijk een strengetje (ligamentum venosum).
, 12.4.4 Conceptie en implantatie
Als de Graafse follikel rijp is, barst hij open en wordt de eicel (secundaire oöcyt),
met een krans van follikelcellen (corona radiata), uitgestoten. Dit noem je de
ovulatie (eisprong).
Het infundibulum wordt tijdens de ovulatie op de juiste plaats over het ovarium
heen gelegd. Hierdoor kan de eicel in de tuba worden opgenomen.
De levensduur van de vrijgekomen eicel bedraagt 12 tot 24 uur. Alleen als de
bevruchting binnen enkele uren na de ovulatie plaatsvindt, kan een
levensvatbare zygote worden gevormd. De conceptie kan dus alleen in het
uiteinde van de tuba plaatsvinden. Voor de conceptie moet het sperma de eicel
bereiken. Sperma kan 12 tot 48 uur in het vrouwelijke voortplantingsstelsel in
leven blijven. Om bevruchting te bewerkstelligen moet geslachtsgemeenschap
daarom plaatsvinden binnen 72 uur voor en 24 uur na de ovulatie. Van de vele
miljoenen zaadcellen bereiken maar enkele honderden de ampulla van de tuba.
Als ze de ampulla bereikt hebben duurt het nog 7 uur voordat ze in staat zijn om
zich aan de eicel te binden. De zaadcellen werken samen om de folikkelcellen los
te maken van de eicel en één zaadcel de kans te geven de zona pellucida te
doorboren.
Receptoren op het celmembraan van de kop van de zaadcellen binden zich met
een bepaald eiwit van de zona pellucida, wat een reactie veroorzaakt waardoor
enzymen vrijkomen die de zona pellucida ter plaatse afbreken, waardoor de
zaadcel tegen het membraan van de eicel komt te liggen.
Door de fusie tussen de membranen van de zaadcel en de eicel treedt een
reactie op waarbij andere enzymen vrijkomen die zorg dat de andere, aan de
zona pellucida gebonden zaadcellen, loslaten, waardoor er geen meervoudige
bevruchting plaats kan vinden.
Als de zaadcel in binnengedrongen, wordt de tweede meiotische deling van de
eicel voltooid. Het resultaat is dan uiteindelijk één bevruchte eicel en drie
poollichaampjes (zie afbeelding 12.4).
Binnen de bevruchte eicel wordt de kop van de zaadcel (mannelijke pronuncleus)
gescheiden van de rest. De kop zwelt op en de rest degenereert. De vrouwelijke
pronuncleus is de kern van de bevruchte eicel. De versmelting van beide
pronucleï leidt tot de vorming van de zygote (pre-embryo).
Dertig uur na de bevruchting vinden klievingsdelingen plaats. Dit zijn mitotische
delingen waarbij het aantal cellen wel toeneemt, maar de totale hoeveelheid
cytoplasma niet.
De eerste klievingsdeling is onmiddellijk na de fusie van de beide pronucleï en
leidt tot de vorming van een tweecellige vrucht. Drie dagen na de bevruchting is
een klompje van 12-16 cellen ontstaan (de morula (moerbrei)). De grenzen
tussen de cellen vervagen en er treedt dan compactie (samengedrongen
celmassa) op. Er ontstaat dan een klompje cellen (embryoblast) en door
vochtopname ontstaat een centrale holte. De vrucht wordt daarna de blastula
genoemd (4-5 dagen na bevruchting). In de blastula zijn twee lagen te
onderscheiden:
1. De embyroblast:
Dit is het latere embyro en wordt gevormd door een goed begrensd
klompje kiemcellen. Deze laag ligt aan de centrale holte.
2. De trofolast:
Dit zijn de perifere cellen. Hieruit ontstaan de vruchtvliezen en de
hechtvlokken, waaruit het kindsdeel van de placenta gevormd wordt.
Bij de eerste klievingsdelingen ontstaan cellen die nog totipotent zijn (dat
betekent dat uit elke cel een compleet individu kan ontstaan). Tijdens de vierde
klievingsdeling treedt de eerste differentiatie op (embryoblast, trofoblast). Het