13. Welke kracht veroorzaakt verplaatsing van water vanuit het interstitium naar de
bloedbaan?
- colloïd osmotische druk
14. Het bloed stroomt vanuit het hart in arteriën (slagaders) en vanuit deze arteriën
komt het dan in de capillairen terecht waar de uitwisseling met de weefselvloeistof
(interstitium) moet plaatsvinden. Via venen wordt het bloed weer afgevoerd naar het
hart. Waarom is het belangrijk, dat de bloeddruk aan het begin van het
capillairnetwerk hoog is (aan de arteriële zijde) en aan het einde (veneuze zijde) laag
is?
- omdat, het hart het bloed pompt naar de slagaders (arteriën), die het bloed weer
verder moeten pompen naar de aders (venen) -> door het lichaam heen.
Vragen
8. Is er ook een stof die niet doorlaatbaar is bij de capillaire wand?
10. Meer duidelijkheid wat colloïd osmotische druk is en waardoor het wordt veroorzaakt.
14. Waarom is de bloeddruk aan het begin van de slagaders hoger dan aan het einde van de
aders?
Samenvatting
- Het membraan omsluit de cel
Milieu interieur = het vocht, met daarin opgeloste voedings- en afvalstoffen
De samenstelling van het milieu interieur moet constant blijven = homeostase
Celmembraan (vloeibaar mozaïekmodel)
- dubbele laag fosfolipiden (vetten, fosfaat), glycolipiden, cholesterol
- daartussen eiwitmoleculen
- beschermt de cel
- de eiwitten liggen tussen de lipiden als mozaïek (waarvan het patroon voortdurend
verandert)
Potentiaalverschil = positieve/ negatieve lading
Binnenkant cel = negatief geladen
Buitenkant cel = positief geladen
-> in rustfase
Lipiden – dubbellaag
Doorgankelijk voor:
- water
- vet-oplosbare stoffen
, Niet doorgankelijk voor:
- wateroplosbare stoffen
- ionen
Membraantransport
Passief
- diffusie
- osmose
Actief
- Na/K pomp (bijv via membraaneiwitten)
- blaasjes transport
Passief transport
- voortdurend vrije beweging van ionen en moleculen in een gas of vloeibare stof
- gebeurt zonder energiegebruik, op natuurlijke wijze (downhill movement)
- gebeurt vanuit een meer geconcentreerd milieu naar een meer verdund milieu
Diffusie
- gebeurt wanneer er geen membraan aanwezig is, zo wel moet de membraan doorlaatbaar
zijn voor de deeltjes
- stopt als hetzelfde aantal hoeveelheid is bereikt, in evenwicht van hetzelfde aantal deeltjes
-> gelijke aantal concentratie
- gasvormig of vloeibaar
Voorbeeld:
Suiker in thee, suiker op de bodem (hoogste concentratie op de bodem), zodra je gaat
roeren wordt de concentratie gelijkmatig verdeeld over de hele thee (diffusie)
Concentratie (gradiënt)= de hoeveelheid opgeloste stof per volume – eenheid van de
oplossing
Volumeprocenten %
Gram per liter
Gewichtseenheden
Massaprocenten
Milligram per kubieke meter
Diffusiesnelheid (afhankelijk van):
De afstand waarover de diffusie plaatsvindt
o Hoe kleiner, hoe sneller
Het drukverschil of concentratieverschil
o Hoe groter, des te sneller vindt de diffusie plaats
De temperatuur
o Hoe hoger, hoe sneller
De aard van de diffunderende stof
o De grootte van de moleculen
bloedbaan?
- colloïd osmotische druk
14. Het bloed stroomt vanuit het hart in arteriën (slagaders) en vanuit deze arteriën
komt het dan in de capillairen terecht waar de uitwisseling met de weefselvloeistof
(interstitium) moet plaatsvinden. Via venen wordt het bloed weer afgevoerd naar het
hart. Waarom is het belangrijk, dat de bloeddruk aan het begin van het
capillairnetwerk hoog is (aan de arteriële zijde) en aan het einde (veneuze zijde) laag
is?
- omdat, het hart het bloed pompt naar de slagaders (arteriën), die het bloed weer
verder moeten pompen naar de aders (venen) -> door het lichaam heen.
Vragen
8. Is er ook een stof die niet doorlaatbaar is bij de capillaire wand?
10. Meer duidelijkheid wat colloïd osmotische druk is en waardoor het wordt veroorzaakt.
14. Waarom is de bloeddruk aan het begin van de slagaders hoger dan aan het einde van de
aders?
Samenvatting
- Het membraan omsluit de cel
Milieu interieur = het vocht, met daarin opgeloste voedings- en afvalstoffen
De samenstelling van het milieu interieur moet constant blijven = homeostase
Celmembraan (vloeibaar mozaïekmodel)
- dubbele laag fosfolipiden (vetten, fosfaat), glycolipiden, cholesterol
- daartussen eiwitmoleculen
- beschermt de cel
- de eiwitten liggen tussen de lipiden als mozaïek (waarvan het patroon voortdurend
verandert)
Potentiaalverschil = positieve/ negatieve lading
Binnenkant cel = negatief geladen
Buitenkant cel = positief geladen
-> in rustfase
Lipiden – dubbellaag
Doorgankelijk voor:
- water
- vet-oplosbare stoffen
, Niet doorgankelijk voor:
- wateroplosbare stoffen
- ionen
Membraantransport
Passief
- diffusie
- osmose
Actief
- Na/K pomp (bijv via membraaneiwitten)
- blaasjes transport
Passief transport
- voortdurend vrije beweging van ionen en moleculen in een gas of vloeibare stof
- gebeurt zonder energiegebruik, op natuurlijke wijze (downhill movement)
- gebeurt vanuit een meer geconcentreerd milieu naar een meer verdund milieu
Diffusie
- gebeurt wanneer er geen membraan aanwezig is, zo wel moet de membraan doorlaatbaar
zijn voor de deeltjes
- stopt als hetzelfde aantal hoeveelheid is bereikt, in evenwicht van hetzelfde aantal deeltjes
-> gelijke aantal concentratie
- gasvormig of vloeibaar
Voorbeeld:
Suiker in thee, suiker op de bodem (hoogste concentratie op de bodem), zodra je gaat
roeren wordt de concentratie gelijkmatig verdeeld over de hele thee (diffusie)
Concentratie (gradiënt)= de hoeveelheid opgeloste stof per volume – eenheid van de
oplossing
Volumeprocenten %
Gram per liter
Gewichtseenheden
Massaprocenten
Milligram per kubieke meter
Diffusiesnelheid (afhankelijk van):
De afstand waarover de diffusie plaatsvindt
o Hoe kleiner, hoe sneller
Het drukverschil of concentratieverschil
o Hoe groter, des te sneller vindt de diffusie plaats
De temperatuur
o Hoe hoger, hoe sneller
De aard van de diffunderende stof
o De grootte van de moleculen